Slachtoffers van de drugsoorlog.
Herinneringsculturen rond heroïne in Nederland, Duitsland en Zwitserland

Gemma Blok

Publicatiedatum: 4 juni 2019

Inleiding

Op de Duitse website Der Drogenwelt, onder het menu-item ‘Gedenken an Drogentote’, brandt een flakkerend kaarsje. Eronder worden de levens beschreven van jonggestorven heroïnegebruikers, met zelfgemaakte rouwkaarten ernaast. De doden worden liefhebbend gekarakteriseerd als gevoelige, gulle, hulpvaardige, avontuurlijke en vriendelijke mensen. De website is het initiatief van voormalig heroïneverslaafde ‘Becky’ uit Frankfurt. De beschreven doden waren vrienden van haarzelf of van haar overleden ex Peter. Ze kenden elkaar allemaal uit de tijd dat zich in Frankfurt een bijzonder heftige heroïnescene bevond, waar zij deel van uitmaakten, in de stationsbuurt en het nabijgelegen park Taunusanlage. In 1991 was de ellende daar op een hoogtepunt: in de wijk waren dagelijks zo’n duizend intensieve drugsgebruikers te vinden. Er werd openlijk gehandeld en gebruikt en overdosissen waren aan de orde van de dag. Nederlandse journalisten die een kijkje gingen nemen, kwamen terug met horrorverhalen over junkies die de lijken van neergevallen lotgenoten beroofden. [1]

Platzspitz, oftewel 'Needle Park', juni 1990.

Open drugsscenes in Noordwest-Europa

De Frankfurtse Taunusanlage was niet de enige locatie in Europa waar dit soort taferelen zich afspeelden. Sinds rond 1970 het sterk verslavende, pijnstillende en roesverwekkende opiaat heroïne zich in West-Europa vestigde als recreatieve drug, waren er meerdere plaatsen ontstaan waar openlijk gebruik en drugshandel zich concentreerden. In Nederland bevond de meest beruchte open heroïnescene zich rondom de Amsterdamse Zeedijk, maar daarnaast waren er ‘hotspots’ als het Utrechtse winkelcentrum Hoog-Catharijne, de Kruiskade in Rotterdam, de stationsbuurt in Heerlen, het Spijkerkwartier in Arnhem en het Kronenburgpark in Nijmegen - om er maar een paar te noemen.


De ‘epidemie’ van heroïnegebruik bereikte in de jaren tachtig en begin negentig een piek in West-Europa. In 1984 overleden alleen al in Amsterdam 73 mensen aan een overdosis. In Frankfurt stierven in 1991 maar liefst 147 gebruikers, terwijl in Zwitserland in 1992 419 dodelijke slachtoffers vielen ten gevolge van drugsgebruik. [2] Daarna trad een proces in van langzame stabilisering van de situatie.


De verloedering en overlast zijn de afgelopen decennia sterk verminderd; niet alleen doordat heroïne minder ‘populair’ is geworden, maar ook door een combinatie van repressie en hulpverlening. De mogelijkheden om overlast gevende verslaafden langdurig gevangen te zetten, zijn uitgebreid. Velen krijgen op recept een onderhoudsdosis methadon (een synthetisch opiaat dat dient als substituut voor heroïne) of zelfs heroïne. Mensen kunnen hun drugs tegenwoordig consumeren in gesuperviseerde ‘gebruikersruimten’, waar ze schone spuiten en koffie kunnen krijgen. Veel van deze maatregelen zijn in de loop der jaren ingevoerd in steden als Amsterdam, Frankfurt en Zürich, om de noodsituatie die in steden was ontstaan, een halt toe te roepen. Sinds medio jaren negentig werd dit harm reduction genoemd: vanuit de acceptatie dat mensen (voorlopig) nog wel blijven gebruiken, proberen om de individuele en sociale schade van dit gebruik zoveel mogelijk te beperken.


In Nederland, Duitsland en Zwitserland was de heroïneproblematiek relatief vroeg aanwezig, maar andere delen van Europa bleven ook niet gespaard. Begin 21e eeuw kampten Lissabon en Oslo bijvoorbeeld nog met grote open drugsscenes. In heel Europa vond in de decennia na 1970 kortom de eerste harde confrontatie plaats met grootschalig harddrugsgebruik. Amerika kende dit fenomeen al langer; dat land maakte rond 1900 zijn eerste ‘epidemie’ in het gebruik van opiaten en cocaïne mee, waarna er meerdere volgden, tot aan de huidige opiaatepidemie aan toe – de ernstigste tot op heden. Europa werd er begin jaren ’70 echter compleet door overvallen. Dit soort ‘Amerikaanse toestanden’ had men hier nooit verwacht.

Onder politiebescherming verwijdert de plantsoenendienst in Zürich de tafels  van drugsverkopers, 15 augustus 1990.

Dit artikel richt zich op de huidige herinneringscultuur van de toenmalige heroïneproblematiek in Nederland, Duitsland en Zwitserland – landen waar de ‘epidemie’ zich sterk in de openbaarheid afspeelde en waar hij inmiddels min of meer bedwongen heet te zijn. De (al dan niet vermeende) epidemie is nu langzaamaan onderdeel aan het worden van het cultureel geheugen. De locaties waar de heroïneproblematiek ooit zo pijnlijk zichtbaar was, spelen een belangrijke rol als brandpunten van de herinneringscultuur.


In Duitsland was de meest bekende en beruchte heroïne-locatie het Berlijnse station Bahnhof Zoo, die zich internationale beroemdheid verwierf via de populaire bioscoopfilm Christiane F. Wir Kinder vom Bahnhof Zoo (1981) met muziek van David Bowie. In het gelijknamige boek uit 1979 vertelt het jonge meisje Christiane Felscherinow hoe zij als 14-jarige verslaafd raakte en zich begon te prostitueren bij het station. Maar het meest beruchte West-Europese ‘needle park’, zoals het destijds genoemd werd, was Platzspitz, gelegen in de rijke Zwitserse stad Zürich. Hier verbleven rond 1990 naar schatting ongeveer driehonderd tot vierhonderd zware drugsgebruikers zonder onderdak, toiletten of douches, terwijl duizenden gebruikers er dagelijks kwamen om drugs te kopen en te gebruiken. Hoewel artsen aanwezig waren om medische hulp te bieden, verslaafden te reanimeren bij een overdosis of spuitabcessen te behandelen, en andere hulpverleners steun boden met gratis soep, waren de omstandigheden erbarmelijk. De New York Times beschreef het tafereel als een ‘grotesk carnaval’. [3]


De plaatsen waar de heroïne-problematiek zich concentreerde, hadden een aantal kenmerken. Vaak waren het locaties met een belangrijke subculturele betekenis, zoals de Zeedijk met zijn jazzkroegen, waar zwarte musici, Amerikaanse soldaten en avontuurlijke Nederlandse jongeren (‘beatniks’) elkaar begin jaren zestig troffen. Hier werden de eerste jointjes uitgewisseld en vestigde zich begin jaren zeventig de handel in heroïne. De Taunusanlage in Frankfurt was in de jaren zestig een park waar zogenaamde ‘Gammler’ elkaar troffen, jongeren die muziek maakten en drugs gebruikten, aanvankelijk jointjes, speed en lsd, later ook andere middelen. De open drugsscenes waren bovendien opvallend vaak gelegen dichtbij treinstations, want dat was handig voor de handel en mobiliteit van dealers en gebruikers. Stedelijke drugscenes hadden een regiofunctie en de meeste gebruikers waren wat je zou kunnen noemen ‘drugsforenzen’.


Ten slotte waren sommige open scenes het resultaat van pogingen van stadsbesturen om de drugscene aan te pakken en te beheersen. In Zürich bijvoorbeeld bevond de gebruikersscene zich aanvankelijk in het zogenaamde Autonome Jeugdcentrum, een gesubsidieerd clubhuis dat echter wegens drugsproblemen begin jaren tachtig gesloten werd. De scene verplaatste zich toen naar buiten. Men verzamelde zich op pleinen en langs de rivieroevers in het centrum van Zürich, maar dat beviel het stadsbestuur niet. Daarom concentreerde de stad de gebruikers vanaf 1986 in het Platszpitspark achter het station. Rotterdam deed iets vergelijkbaars: hier creëerde men in 1987 om de drugsoverlast tegen te gaan de vrijplaats Perron Nul, vlak naast het Centraal Station, waar gebruikt en gedeald mocht worden en waar hulpverleners aanwezig waren met koffie, schone spuiten en methadon.

Plaatsen van herinnering

De eerste vormen van herinneringscultuur zien we al in de jaren negentig ontstaan, als ouders in Duitsland hun overleden kinderen openlijk gaan herdenken. Karin Stumpf neemt het initiatief, nadat haar zoon Ingo Marten in 1994 was gestorven aan een overdosis. Ze vindt het onverteerbaar als hij een anoniem nummer zou blijven in de statistieken en wil ook meer aandacht voor het drugsprobleem. Ze gaat ijveren voor een gedenkteken voor drugsdoden, in een park in Gladbeck waar gebruikers zich ophielden. En er kwam een gedenksteen, in 1997, gelegd op de sterfdag van Ingo: 21 juli. Sindsdien wordt elk jaar op Ingo’s sterfdag een herdenking georganiseerd voor alle mensen die zijn overleden door het gebruik van illegale drugs. Het fenomeen breidde zich gestaag uit; allereerst tot een landelijke herdenkingsdag in heel Duitsland, waarbij de ouders al snel aansluiting vonden bij de belangenvereniging voor gebruikers JES (Junkies, Ehemalige und Substituierte). Momenteel doen 59 steden mee en zijn vele organisaties betrokken. Iedere stad geeft er zijn eigen draai aan: er worden rituele treurmarsen gehouden, kransen opgehangen, ballonnen opgelaten en kaarsjes gebrand. In de Frankfurter Taunusanlage kwam in 2006 een ‘Trauer- und Gedenkplatte’ voor de drugsslachtoffers uit heden en verleden. Later groeide de Duitse herdenkingsdag uit tot een internationaal fenomeen, onder meer door contacten met EURONPUD, een in 2011 opgericht Europees netwerk dat de belangen van drugsgebruikers wil behartigen. Momenteel zijn er wereldwijd herinneringsdagen voor drugsdoden. In de narratieve en visuele retoriek van de herdenkingsdagen speelt de oorlogsmetafoor een belangrijke rol.

In de hiernaast afgebeelde voorkant van het tijdschrift Drogenkurier van de JES over de ‘Gedenktag für verstorbene Drogenabhängige 2010’ zijn de overledenen met kruizen afgebeeld als lagen ze op een kerkhof voor soldaten uit een van de twee wereldoorlogen. Ook tijdens herdenkingsdagen worden zwarte en witte kruizen op de grond gelegd om de overledenen te symboliseren. De activistische ouders en de JES zien de drugs gerelateerde sterfgevallen dan ook als gevolg van een oorlog: de oorlog tegen de drugs, ofwel de War on Drugs. De herdenkingsdagen gaan niet alleen over de herinnering aan de overledenen, maar staan ook in het teken van protest: protest tegen de levens die gered hadden kunnen worden als er een minder repressief drugsbeleid zou zijn geweest.


Zeker in de jaren tachtig was het Duitse drugsbeleid streng: het stond vooral in het teken van gedwongen afkicken en gebruikers waren zeer huiverig voor de politie. Als een medegebruiker out ging, riepen ze er liever geen hulp bij uit angst om zelf opgesloten te worden. En dat kostte levens.

De ontruiming van Platzspitz in de nacht van januari 1992.

‘Iedereen keek langs me heen’

Ook individuele (ex-)gebruikers dragen bij aan de herinneringscultuur. Sommigen werken als rondleider bij historische wandelingen door voormalige hotspots van de heroïne-epidemie. Zowel op Hoog-Catharijne als op de Amsterdamse wallen kun je via Utrecht Underground respectievelijk Amsterdam Underground een stadswandeling boeken, geleid door een ex-dakloze en/of verslaafde, die vertelt over zijn of haar ervaringen in die wijk. Zo krijg je de stad op een heel andere manier te zien en wordt de empathie met deze kwetsbare burgers vergroot, is het idee.

Ook publiceerde een handjevol (ex-)heroïnegebruikers hun memoires, met name vanaf eind jaren negentig. De auteurs van deze boeken willen vaak hoop bieden: veel van hen zijn zelf uiteindelijk clean geworden en willen aan lotgenoten en de samenleving laten zien dat verslaving niet altijd ‘hopeloos’ hoeft te zijn, zoals Keith Bakker betoogde in zijn memoires Pushing the limits (2010). Een andere belangrijke rode draad in de memoires is het gevecht tegen sociale uitstoting en stereotypering.


Ex-gebruiker Peter Derks beschrijft in zijn boek Heroïne, het dorpje ‘Stigma’ (2010) zijn leven in de Zeedijkbuurt. ‘De absolute scheidslijn tussen de legale bovenwereld en de poort naar de hel’, schrijft hij, ‘wordt in mijn visie gevormd door het statige Krasnapolsky Hotel en de daaraan in het verlengde gelegen Warmoesstraat. De Wallen, wereld van dood, dope en verderf. Toeristische attractie, onderkomen van roofdieren op zoek naar hun prooi, hoerenlopers, verslaafde prostituees en junken’. [4] Hij vond het heel erg om, toen hij een dakloze verslaafde was, niet meer als mens gezien te worden door de ‘nette burgerbevolking’. Mensen op straat keken hem niet meer aan, ze keken langs hem heen; als hij naderde, dan zagen ze plotseling allerlei interessante vogeltjes vliegen. Taxichauffeurs sloegen hem in elkaar, bouwvakkers schopten zijn bekertje koffie om als hij eindelijk even rustig ergens zat. Andere burgers waren echter maar al te bereid om gestolen waar van hem te kopen, videorecorders bijvoorbeeld – een dure noviteit in de jaren tachtig. Verslaafde prostituees werden ook vreselijk misbruikt, aldus Derks.


Ook ex-gebruiker Chiel van Zelst stelt de hypocrisie van de zogenaamd fatsoenlijke mensen aan de kaak. In zijn autobiografie 100.000 fietsventielen (1999) doet hij verslag van zijn bestaan als ‘fietsenjunk’ in Amsterdam. De markt voor zijn gestolen fietsen was enorm, beschrijft hij – sommige klanten deden zelfs uitgebreide bestellingen bij hem. Een racefiets, graag, voor de aanstaande vakantie naar Frankrijk, of een fiets met een kinderzitje en vrolijk gekleurde fietstassen.


De ‘vuile junks’ die we ooit op straat zagen scharrelen, spreken nu kortom via hun memoires tot ons. Hun boodschap is: we waren niet gewetenloos en gevoelloos, maar in de greep van een peperdure verslaving, waar we vergeefs van probeerden los te komen. Maar dat lukte vaak pas na vele jaren. Of helemaal niet. Christiane Felscherinow beschrijft in haar memoires Christiane F. – Mein zweites Leben (2013) hoe ze nooit helemaal clean werd en nu leeft op het methadon, drank en wiet. Vanwege haar gebruik is ze tot haar grote verdriet haar zoontje kwijtgeraakt en ook haar gezondheid leed zwaar. Ze lijdt nu aan hepatitis C., waarschijnlijk opgelopen door een vervuilde spuit. Misschien wel in het park Platzspitz, waar ze in de jaren tachtig ook te vinden was. Ze noemt het park achteraf een ‘Disneyland voor junkies’ en beschrijft het als een soort markt. Er stonden geïmproviseerde kraampjes met allerlei soorten drugs te koop: hasj en weed, coke, heroïne, barbituraten (zware tranquilizers), en ook drank – mensen werden er samen high en dronken. ‘Ze zitten op een tapijt van spuiten’, aldus Felscherinow, ‘in de bloemperken en achter de struiken, en injecteren zich in armen en benen onder de ogen van nieuwsgierige voorbijgangers’. [5] Drugsgebruikers met open wonden lagen comateus op de grond in de openlucht. Ondanks deze verschrikkingen had het park ook – zoals van veel open drugsscenes bekend is – een grote aanzuigende werking op zowel beginnende als ervaren gebruikers. Sommige mensen kwamen aanvankelijk slechts op Platzspitz om hasj te kopen, en kwamen zo in aanraking met andere middelen.

Herdenkingsdag voor de slachtoffers van de War on Drugs, Londen 2018.

Platzspitzbaby

In Zwitserland is er in 2017, bij de 25-jarige herdenking van de ontruiming van Platzspitz in 1992, een hausse ontstaan aan herinneringen. Na een lange periode waarin de roemruchte drugsgeschiedenis van het land enigszins in de vergetelheid raakte, en er in het keurige park Platzspitz niks meer herinnerde aan deze periode, besteden de media nu weer ruim aandacht aan deze zwarte bladzijde in de Zwitserse geschiedenis. In 1992 was de situatie op Platszpitz volgens velen in Zürich onhoudbaar geworden. Omwonenden voelden zich onveilig en vormden bewapende buurtcomités. Hulpverleners zagen met lede ogen aan hoe de gezondheid van gebruikers verslechterde; er vielen jaarlijks tientallen doden en er moest duizenden keren worden gereanimeerd. Ook de snelle verspreiding van de hiv/aids-besmettingen onder de bezoekers van Platzspitz baarde grote zorgen. Hulpverleners mochten van de gemeente sinds enkele jaren weliswaar condooms en schone spuiten aan hen uitdelen – in 1991 werden vijf miljoen spuiten uitgedeeld – maar het aantal besmettingen was desondanks hoog. Ondertussen begonnen autoriteiten en het publiek opnieuw na te denken. Platzspitz ondermijnde de dominante theorie in de verslavingszorg dat verslaafden eerst de bodem moesten raken (‘hit rock bottom’) en genoeg in ellende zouden moeten wegzinken, waarna ze vanzelf zouden stoppen om zichzelf te herstellen. Zo werkte het blijkbaar niet voor iedereen.


In 1990 was een groot deel van de bevolking en gemeenteraad van Zürich voor uitbreiding van het drugsbeleid, in de richting van harm reduction. Maar voordat deze strategie van kracht kon worden, bepaalde de gouverneur van het kanton waarin Zürich viel, in de winter van 1992 de sluiting van het park. Zonder begeleidende maatregelen was de actie echter gedoemd te mislukken. Het tafereel verschoof naar het niet meer gebruikte station Letten, een paar honderd meter verderop. Het werd letterlijk de ‘hel van drugs’, aldus de Zwitserse krant 20 Minuten. Geweld en verloedering waren aan de orde van de dag. De situatie rond Letten werd zo ernstig, dat Zwitserland in 1995 een drastische maatregel nam: niet alleen zou de methadonverstrekking worden uitgebreid, ook zou de heroïneverstrekking aan chronisch verslaafden worden ingevoerd. In februari 1995 werd ook Letten geëvacueerd. Deze keer was de actie goed voorbereid. Hij ging gepaard met gecontroleerde heroïnedistributie, een methadonprogramma, werkintegratie en dergelijke. Vele Europese landen, waaronder Nederland en Duitsland, volgden hierna het Zwitserse voorbeeld en gingen experimenteren met medische heroïneverstrekking. Dit werd door vooruitstrevende hulpverleners, drugsgebruikers en sommige lokale politici in Nederland al sinds de jaren zeventig bepleit, maar het was altijd een brug te ver voor de landelijke politiek. Nu de keurige Zwitsers het deden, werd het evenwel bespreekbaar.


In de Zwitserse media klinkt begin 21e eeuw een zekere trots door over de aanpak van het drugsprobleem en de voorhoederol die Zwitserland heeft vervuld in de beweging richting harm reduction. De Neue Züricher Zeitung spreekt bijvoorbeeld in een artikel over Platzspitz van 4 februari 2017 van een ‘succesverhaal van liberaal drugsbeleid’. De pijnlijke geschiedenis van het meest beruchte needle park van Europa wordt momenteel zelfs verfilmd, door de Zwitserse filmregisseur Peter Reichenbach. Hij verfilmt het boek Platzspitzbaby uit 2013 van Michelle Halbheer, over haar ellendige jeugd als verwaarloosd kind van een drugsverslaafde moeder. ‘De zoon van Christiane F. werd uit huis geplaatst. Niet alle kinderen van drugsgebruikers hadden dit geluk’, aldus de bittere flaptekst achterop haar boek. [6]


Waar in Zwitserland het 25-jarig jubileum van de sluiting van Platzspitz een rol speelde als trigger voor herinneren en gedenken, zo was in Nederland de sluiting van Perron Nul in 1994 reden voor een uitgebreide terugblik in het Museum Rotterdam, die te zien was van december 2018 tot het voorjaar van 2019. De directe aanleiding voor de tentoonstelling was het opnemen van de Pauluskerk in de collectie van het Echt Rotterdams Erfgoed. De personen, gebouwen of instellingen in deze collectie, vertellen het actuele verhaal van de stad. In de Pauluskerk van dominee Hans Visser konden Rotterdamse heroïnegebruikers in de jaren tachtig terecht voor opvang en sociale steun; Visser was ook de initiatiefnemer van Perron Nul en een belangrijk voorstander van harm reduction (‘accepterende hulpverlening’, noemde hij het destijds zelf). Hij werkte nauw samen met Nico Adriaanse, oprichter van de Rotterdamse Junkiebond, een belangenvereniging voor heroïnegebruikers. [7] De tentoonstelling zette hun denkbeelden en praktijken flink in het zonnetje, maar ook de weerstand waarmee ze te kampen hadden kwam ruim aan bod. Volgens een krantenartikel uit Het Vrije Volk dat te zien en lezen was in de tentoonstelling, vonden de meeste Nederlandse ouderen in 1970 ‘werkkampen en stokslagen’ de beste straffen voor het gebruik van drugs. [8] Ook buurtbewoners, taxichauffeurs en treinreizigers waren niet blij met Perron Nul en de overlast en criminaliteit rond het station. In 1992 probeerde een grote groep mariniers in een spontane actie Perron Nul ‘schoon te vegen’. [9]

Verloederde drugsgebruikers nabij station Letten, Zürich 1994.

Verleden, heden en toekomst: strijd om het drugsbeleid

Sinds de jaren negentig is kortom een proces op gang gekomen van het terugkijken op en duiden van deze grimmige geschiedenis van West-Europa met heroïne. In de huidige herinneringscultuur fungeren deze voormalige heroïnelocaties soms als fysieke plaatsen van herinnering, bijvoorbeeld op gedenkdagen of via historische stadswandelingen. In andere gevallen kreeg de herinnering aan deze voormalige heroïnehotspots vorm in musea, media-artikelen of boeken, of in de film over Platzspitz. De symbolische lading van de plaatsen is wisselend. Ze representeren veel persoonlijk leed en de teloorgang van een deel van de tegencultuur van de jaren zestig; voormalige plaatsen van avontuur, plezier en avant-gardisme, zoals de Amsterdamse Zeedijk of het Frankfurter Park Taunusanlage, werden plaatsen omgeven door angst en ellende. Ze roepen achteraf, net als destijds, medeleven op maar ook fascinatie voor de taferelen daar, die in sommige krantenstukken achteraf als ware horror worden verbeeld. ‘Zürich Zombietown. Der Sommer 1991’, gaf de Tages Anzeiger als kop aan een uitgebreide terugblik. ‘Mensen lagen in hun eigen bloed en ontlasting. Iedereen die kon lopen, stapte er gewoon overheen.’ [10]


Er is in de herinneringscultuur rond de heroïneproblematiek een interessant samenspel te zien van heden en verleden. Zo worden de voormalige brandhaarden van heroïnegebruik ook in positieve zin herinnerd, namelijk als kraamkamers voor een progressieve aanpak van verslavingsproblematiek, die van de harm reduction, die wereldwijd terrein wint en gesteund wordt door een sterke lobby van hulpverleners en politici. Een ander verband tussen heden en verleden blijkt uit de afwezigheid in de herinneringscultuur van (ex-)heroïnegebruikers met een migratieachtergrond. Migranten uit de voormalige Nederlandse kolonie Suriname bijvoorbeeld, gastarbeiders uit Turkije en vluchtelingen uit Joegoslavië en andere voormalige Oostbloklanden, maakten destijds een relatief groot deel uit van de gebruikerspopulatie in Nederland, Duitsland en Zwitserland. Ze werden echter destijds vooral geframed als de bad guys, de dealers. Dat waren ze vaak ook, maar ze waren kleinschalige dealers die werkten om in hun eigen gebruik te voorzien. Deze groep van ‘user-sellers’, zoals ze ooit treffend door historicus Joseph Spillane zijn gekarakteriseerd, zal het extra moeilijk hebben hun dubbele stigma te bevechten: als junk en dealer tegelijk zaten ze destijds extra in het verdomhoekje. Die gemarginaliseerde positie klinkt door in de huidige herinneringscultuur.


Verder is duidelijk dat de herinneringscultuur aan de heroïne nauw verbonden is met de huidige discussie over de toekomst van het drugsbeleid. Steeds sterker klinkt een strijdlustig narratief van ouders, naasten en (ex-)gebruikers die vinden dat de War on Drugs ten einde moet komen. In de jaren tachtig, zo schreef bijvoorbeeld ex-heroïnegebruiker Peter Derks in 2010, woedde er ‘op straat een oorlog’. Het was een uitvloeisel van de internationale War on Drugs, volgens hem. De hoge prijs in de jaren zeventig en tachtig van de illegale heroïne dwong verslaafden om op illegale manieren aan geld te komen, als het hen althans niet lukte om af te kicken. En dat was vaak het geval. Het was een zware dagtaak om aan genoeg geld te komen en gebruikers verloederden snel en makkelijk. Het repressieve drugsbeleid dat met name Duitsland lange tijd voerde, zorgde er bovendien voor dat gebruikers bang waren om hulp in te roepen als een van hen een overdosis nam. Met de arts kwam namelijk meteen de politie mee, en dreigde opsluiting of gedwongen afkicken.


Dit soort geluiden, die in de jaren zeventig en tachtig nog marginaal waren, zijn nu meer mainstream geworden. Er is een groeiende sociale beweging van mensen die vinden dat we ons moeten bewegen richting legalisatie en regulering. Ze zijn actief in belangenverenigingen voor drugsgebruikers als JES en EURONPUD en in NGO’s als TDP (Transform Drugpolicy) en LEAP (Law Enforcement Against Prohibition). Het motto van de internationale herdenkingsdag voor de drugsdoden was in 2018 ‘Legalization’. Want, aldus de toelichting van de organisatie, er waren al te veel mensen onnodig gestorven als gevolg van de criminalisering, stigmatisering en sociale uitsluiting die het gevolg waren en zijn van de oorlog tegen mensen die drugs gebruiken.


De herinnering aan de culturele plaatsen van de heroïne-epidemie is kortom veelzijdig: hij neemt individuele en collectieve vormen aan en kent lokale, nationale en transnationale niveaus. Het terugkijken naar vroeger is nauw verweven met de emancipatie van gebruikers, die hun stem laten horen, en ook met de emancipatie van hun familieleden; maar ook met hedendaagse vraagstukken rond drugsbeleid. Juist het globale thema van de War on Drugs – en de groeiende strijd ertegen – gaat dus interessant genoeg gepaard met een hernieuwde aandacht voor nationale en lokale eigenheden rond drugsgebruik- en beleid, en voor de bijbehorende significante culturele plaatsen als de Zeedijk, Hoog Catharijne, Perron Nul, de Taunusanlage en Platzspitz.

Voetnoten

[1] Frans Bosman en Kurt van Es, Het verdeelde Europa van de drugs (Amsterdam 1993) 47-56.

[2] Gemma Blok, Ziek of zwak. Geschiedenis van de Nederlandse verslavingszorg (Amsterdam 2011) 186; H. Waal, T. Clausen e.a., ‘Open drugsscenes: responses of five European cities’, BMC Public Health 14 (2014). https://bmcpublichealth.biomedcentral.com/articles/10.1186/1471-2458-14-853

[3] Joseph B. Treaster, ‘Zurich journal: a marketplace for drugs, a bazaar of the bizarre’, New York Times, 27 september 1990.

[4] Peter Derks, Heroïne, het dorpje ‘Stigma’ (Zoetermeer 2010) 78.

[5] Christiane F. en Sonja Vukovic, Mijn tweede leven. De cultfiguur en antiheldin van een generatie is terug. Jan Steemers vert. (Amsterdam 2014) 93; Max Daly, ‘”Binnenkort ga ik dood”. Een ontmoeting met de echte Christiane F.’, Vice, 16 december 2013 https://www.vice.com/nl/article/7b7ved/christiane-felscherinow-interview

[6] Michelle Halbheer, Platzspitzbaby. Meine Mutter, ihre Drogen und ich (Gockhausen 2013; herdruk Gockhausen 2015).

[7] Hans Visser en P. Blanken, Perron Nul. Opgang en ondergang (Zoetermeer 1996).

[8] ‘Werkkampen en stokslagen beste straffen voor gebruik drugs, vinden ouderen’, Het Vrije Volk, 23 juli 1970.

[9] Zie over deze ‘schoonveegactie’ onder meer: Dave Datema en Anke Hoets, ‘Mariniers in actie tegen junks Perron Nul’, De dag van Toen, 22 juni 1992. https://www.dagvantoen.nl/mariniers-in-actie-tegen-junks-perron-nul/

[10] Michèle Binswanger, ‘Zürich Zombietown – der Sommer 1991’ (in: ‘The Needle Trauma’), Tages Anzeiger, z.j. https://www.tagesanzeiger.ch/extern/storytelling/platzspitz/kapitel1/

Over de auteur

Gemma Blok is hoogleraar moderne geschiedenis aan de Open Universiteit, gespecialiseerd in de geschiedenis van psychiatrie, verslavingszorg en drugsgebruik en -beleid. 

© 2019 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU |Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl