Het verleden bewandeld: afstand en nabijheid op historische plaatsen

Pieter de Bruijn

Publicatiedatum: 4 juni 2019

Inleiding

Een toerist die vandaag de dag over de Rotterdamse Coolsingel slentert, zal vooral een beeld krijgen van een moderne naoorlogse stad. Een enkel gebouw herinnert aan eerdere tijden, zoals het stadhuis uit 1920, het voormalige hoofdpostkantoor uit 1923 en een kantoorgebouw uit 1939, maar wat vooral overheerst, zijn panden in de stijl van de wederopbouw en paviljoens die met name in de jaren 70 van de twintigste eeuw zijn toegevoegd. Wandelend over de Coolsingel lijkt het alsof de geschiedenis van deze straat niet verder teruggaat dan de eerste helft van de twintigste eeuw. En in zekere zin is dat ook zo: wat nu een belangrijke verkeersader is in de Rotterdamse binnenstad, was vóór 1913 daadwerkelijk een singel met een gracht die bekend stond onder de naam Coolvest. Een korenmolen, gebouwd in de eerste helft van de achttiende eeuw, torende hoog over het water en de aangemeerde schepen uit.


Omdat er op de Coolsingel dus weinig aanwijzingen van het vooroorlogse verleden zijn te vinden, zal je deze geschiedenis hier niet snel als nabij ervaren. Een belangrijke verklaring daarvoor ligt natuurlijk in het bombardement van 1940 dat een groot deel van de stad in puin legde. Tegelijkertijd is het inherent aan de Rotterdamse herinneringscultuur dat vooral de periode van de naoorlogse wederopbouw wordt herdacht: een fenomeen dat zich dus ook in de buitenruimte manifesteert. [1] Andere plekken laten daarentegen wel meer van een vroeger verleden zien.


In deze bijdrage verken ik hoe historische plaatsen een beleving van een bepaald verleden kunnen stimuleren. Daarbij zal ik ingaan op het samenspel tussen de inrichting en betekenisgeving van plekken dat, tezamen met de achtergrond van de bezoeker, de ervaring als historische plaats bepaalt. Deze analyse is deels gebaseerd op eerder onderzoek naar de omgang met het verleden in tentoonstellingen, historische plaatsen en bijbehorende educatieve materialen over slavernij en de Tweede Wereldoorlog in Nederland en Groot-Brittannië. [2] De in deze bijdrage aangehaalde voorbeelden komen daarom uit binnen- en buitenland.

De Coolvest in Rotterdam tussen 1890 en 1905. Bron: Library of Congress, LC-DIG-ppmsc-05850

Afstand en nabijheid op historische plaatsen

Alle historische verhalen, in welke vorm ze ook zijn verpakt, positioneren hun publiek op een bepaalde afstand of nabijheid tot het verleden. Daarbij kunnen ze een vorm van betrokkenheid stimuleren, bijvoorbeeld door emoties los te maken of een morele boodschap te communiceren. Zo geven veel wetenschappelijke teksten een beeld van het verleden door het aan de hand van concepten te beschrijven en te analyseren. Deze vorm van geschiedschrijving, die is gericht op kritisch bronnengebruik en het uitlichten van verschillende perspectieven, zal bij lezers niet direct een gevoel van beleving teweegbrengen. Schrijvers van historische romans daarentegen zijn er doorgaans juist wel op uit om het verleden zo nabij mogelijk te brengen en de betrokkenheid van lezers bij historische personages te stimuleren. Afstand, nabijheid en betrokkenheid kunnen op verschillende manieren (bewust of onbewust) worden gegenereerd. In tentoonstellingen, films of computerspellen worden daarvoor weer andere technieken gebruikt dan in geschreven teksten. [3]


Ook plaatsen kunnen een verhaal vertellen en daarmee een bepaalde afstand of nabijheid tot een geschiedenis scheppen. Wanneer sporen van het verleden in de omgeving behouden blijven, wordt de standvastigheid van een plaats benadrukt. Dit kan een gevoel oproepen dat mensen ook in het verleden al op een bepaalde plek leefden. [4] Een voorbeeld van zo’n plaats is het Queen Square in de Zuidwest-Engelse stad Bristol. Dit plein en grasveld, met in het midden een achttiende-eeuws standbeeld van koning Willem III gezeten op een paard, wordt omringd door huizen die er in de achttiende en negentiende eeuw zijn neergezet. Het gebruik van kasseien als bestrating draagt bij aan het historische beeld.


Heel anders is de beleving voor mensen die in Middelburg de Dokstraat uitlopen. Zij zullen niet snel beelden tot zich krijgen van een bedrijvig havengebied met grote zeventiende-eeuwse zeilschepen, laat staan zich kunnen invoelen hoe het als inwoner van de stad op deze plek moet zijn geweest toen de West-Indische Compagnie (WIC) en de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) er nog een uitvalsbasis hadden. [5] Tot enkele jaren geleden was er naast een klein jachthaventje slechts een groot leeg grasveld te zien. Sinds kort is er een woonzorgcentrum gevestigd. Alleen de naam Compagnieplein verwijst nog naar het zeventiende-eeuwse handelsverleden dat aan deze plek verbonden is.

De noordkant van het Queen Square in Bristol.

Bron: Stevekeiretsu, ‘1-9, Queen Square’, 28 december 2016

Grasveld aan het einde van de Dokstraat in Middelburg.

Bron: Pieter de Bruijn, 10 februari 2011

Erfgoedbeleid en vermenging van tijd

Niet op iedere plaats zijn er dus nog duidelijke sporen van een bepaald verleden te vinden. De inrichting en uitstraling van historische plaatsen hangt dan ook voor een groot deel samen met beleid op het gebied van cultureel erfgoed. In Nederland wordt de bescherming van ‘onroerende zaken’ die mensen zien als ‘een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden’ sinds 2016 geregeld door de Erfgoedwet. [6] Deze wet is een samenvoeging van diverse bestaande wetten en regels voor de bescherming van cultuurgoederen. [7] De wetgeving over onroerende bouwwerken, stads- en dorpsgezichten en archeologische opgravingen, ging terug op de Monumentenwet die in 1961 was ingevoerd en in 1988 was herzien.

De ontwikkeling van politiek beleid op dit terrein was op zichzelf weer het resultaat van een langere ontwikkeling sinds de negentiende eeuw waarbij er aandacht kwam voor het behoud van overblijfselen van de Nederlandse geschiedenis en kunst. Vanaf 1903 werd er al begonnen met het inventariseren en beschrijven van dergelijke monumenten. [8] De opkomst van de monumentenzorg beperkte zich niet tot Nederland, maar vond ook elders in West-Europa plaats en verspreidde zich vandaaruit naar andere landen als de Verenigde Staten en Australië. [9]

Monumentenbeleid heeft echter zelden tot resultaat dat landschappen die verwijzen naar een specifieke periode als een statisch openluchtmuseum behouden blijven. Hoewel sommige kunsthistorici (zoals de Groningse architectuurhistoricus Kees van der Ploeg) weleens kritiek hebben geleverd dat historische stadscentra in toenemende mate als zodanig zouden worden geconserveerd, is de praktijk doorgaans complexer. Steden laten over het algemeen een diversiteit aan bouwstijlen zien uit verschillende periodes. En ook het beleid is vaak niet gericht op het bevriezen van een bepaald beeld. Zo gaf de Nederlandse monumentenwet van 1961 nog behoorlijk wat ruimte aan stadsplanners en architecten om landschappen vorm te geven. [10]

Hoewel sommige plaatsen een duidelijke continuïteit of breuk tussen heden en verleden laten zien, zijn de meeste plekken dan ook een mengeling van verschillende historische periodes. Voor mensen zonder kunsthistorische achtergrond, is dit echter niet altijd duidelijk zichtbaar. Wie in Rotterdam het beschermd stadsgezicht ‘Historisch Delfshaven’ bezoekt, lijkt zich bijvoorbeeld direct te wanen in de periode toen Piet Hein er werd geboren en een groep Engelse puriteinen zich op de vooravond van hun vertrek naar de Amerikaanse koloniën er in de kerk verzamelden. [11] Nog los van het feit dat deze gebeurtenissen meer dan veertig jaar uit elkaar liggen, bevat het gebied sowieso ook gebouwen die er in verschillende eeuwen zijn neergezet.

Zo dateren de gevels van verschillende panden en het huisje van het zakkendragersgilde uit de zeventiende eeuw, maar werden enkele voormalige pakhuizen in de negentiende eeuw neergezet. Ook het eigenlijke geboortehuis van Piet Hein werd in 1820 afgebroken, waarna er circa vijftig jaar later een nieuw pand werd neergezet. Uiteraard hebben ook latere restauraties en reconstructies hun sporen nagelaten. De kenmerkende stellingmolen staat bijvoorbeeld wel op ongeveer dezelfde plek als het origineel uit 1727, maar werd in 1984 volledig opnieuw gebouwd, nadat hij door een brand veroorzaakt door het bombardement van 1940 in verval was geraakt. Wie dit beschermde stadsgezicht bezoekt, komt dus eigenlijk terecht in een gebied waar verschillende tijden met elkaar worden vermengd tot één beeld van een ‘historisch Delfshaven’.

Historisch Delfshaven met brug en molen in Rotterdam.

Bron: Rasbak, ‘Delfshaven, Zuid-Holland, the Netherlands’, 30 september 2017

Zo dateren de gevels van verschillende panden en het huisje van het zakkendragersgilde uit de zeventiende eeuw, maar werden enkele voormalige pakhuizen in de negentiende eeuw neergezet. Ook het eigenlijke geboortehuis van Piet Hein werd in 1820 afgebroken, waarna er circa vijftig jaar later een nieuw pand werd neergezet. Uiteraard hebben ook latere restauraties en reconstructies hun sporen nagelaten. De kenmerkende stellingmolen staat bijvoorbeeld wel op ongeveer dezelfde plek als het origineel uit 1727, maar werd in 1984 volledig opnieuw gebouwd, nadat hij door een brand veroorzaakt door het bombardement van 1940 in verval was geraakt. Wie dit beschermde stadsgezicht bezoekt, komt dus eigenlijk terecht in een gebied waar verschillende tijden met elkaar worden vermengd tot één beeld van een ‘historisch Delfshaven’.

Aelbrechtskolk in historisch Delfshaven. Bron: F. Eveleens, ‘Rotterdam, Delfshaven. Aelbrechtskolk, wallekant’, 12 oktober 2018

Duiding, beleving en authenticiteit

Het is niet alleen de fysieke inrichting van een plaats die eraan bijdraagt dat bezoekers een gevoel van afstand, nabijheid of betrokkenheid tot het verleden (kunnen) ervaren. Ook de wijze waarop aan plekken betekenis wordt gegeven, speelt hierin een rol. Soms worden plaatsen specifiek als ‘historisch’ aangemerkt, bijvoorbeeld door middel van borden of plaquettes. Maar deze duiding kan ook los staan van de plaats zelf: denk aan een brochure, website of gids die een historisch verhaal koppelt aan een bepaalde locatie. Die interpretatie kan verschillende vormen van beleving stimuleren. Dat begint al bij de geschiedenis die in herinnering wordt geroepen.


Het eerdergenoemde Queen Square in Bristol figureerde bijvoorbeeld in rellen die uitbraken in 1831 toen een nieuwe kieswet, die Engelse industriesteden een betere vertegenwoordiging zou moeten geven in het parlement, door het Hogerhuis werd weggestemd. In een stadswandeling over de Trans-Atlantische Slavenhandel werd echter juist aandacht gevraagd voor de achttiende eeuw en de welvaart die de koloniale handel voor de stad heeft opgeleverd. Van deze periode is nog maar minder dan een derde van de gebouwen overgebleven, zodat duiding en beeld in dit geval niet helemaal op elkaar aansluiten. [12]


Ook de vorm waarin een plaats betekenis wordt gegeven, heeft invloed op de beleving. Zo benadrukt een stadswandeling over het slavernijverleden in Middelburg (ontwikkeld in 2004 en opnieuw uitgebracht in 2010) vooral de verandering tussen heden en verleden. Geheel conform de uitstraling van de plaats werd over het lege grasveld bij de Dokstraat bijvoorbeeld uitsluitend gezegd dat daar ‘het werventerrein [was] van de WIC en de MCC, waar de schepen werden gebouwd.’ [13] Heel anders daarin was de slavernijroute in Bristol die veel meer de nadruk legde op bepaalde personen die aan specifieke plaatsen waren verbonden. Een gebouw op Queen Square werd bijvoorbeeld aangeduid als het huis van Nathaniel Day die een aandeel had in verschillende slavenschepen en later burgemeester werd van Bristol.


Waar de stadswandeling in Middelburg vanuit een zakelijke beschrijving van de voormalige functie van plaatsen dus vooral afstand creëerde tussen heden en verleden, brachten de beschrijvingen in de route door Bristol het verleden meer nabij door continuïteit te benadrukken en uit te leggen dat voormalige inwoners van Bristol betrokken waren bij de slavenhandel. Die focus op personen stimuleert mogelijk ook een morele betrokkenheid, omdat duidelijk wordt dat inwoners van de stad (de ‘voorouders’ van veel mensen die de wandeling lopen) verantwoordelijk waren voor deze geschiedenis. [14]

De voormalige woning van Nathaniel Day, nummer 29 op het Queen Square in Bristol. Bron: William Avery, ‘The Sailors' Refuge, Queen Square, Bristol, UK. Early Georgian, 1709-11. Grade II* listed’, 23 mei 2007

Wanneer historische plaatsen zijn gemusealiseerd wordt er soms ook op heel andere wijze interpretatie gegeven. Een voorbeeld van een ervaring waarbij de plaats qua locatie en materiaal in sterke mate authentiek is, is het Big Pit National Coal Museum in Wales. Van deze voormalige steenkolenmijn, die van 1880 tot 1980 in gebruik was, staat nog een groot deel van de oorspronkelijke gebouwen overeind. Bezoekers kunnen hier zelfs een deel van de originele mijn betreden via de lift die de mijnwerkers destijds gebruikten. De ervaring van authenticiteit die hiermee wordt opgeroepen, wordt versterkt doordat oud-mijnwerkers de rondleiding geven en hun verhaal vertellen over dit industriële verleden.


Toch is deze vorm van een authentieke ervaring niet per definitie voor iedere bezoeker het beste middel om zich te kunnen inleven in het verleden. Opvallend is namelijk dat de mijn, hoewel origineel, niet langer de sfeer oproept van de tijd dat hij volledig in bedrijf was. Het is rustig in de schacht en er is geen werkende machinerie aanwezig: het geluid, de geur en het gevoel van een werkende steenkolenmijn wordt in de Big Pit dus niet opgeroepen. Anders is dit in het Rhondda Heritage Park waar bezoekers geen originele mijn betreden, maar een reconstructie die is gemaakt op basis van de ervaringen en herinneringen van ex-mijnwerkers. Deze reconstructie is qua sfeer en beleving misschien wel authentieker dan wat de materiële oorspronkelijkheid van de Big Pit kan bieden. [15]

Big Pit National Coal Museum in Zuid-Wales, met onder andere de originele lifttoren van de mijnschacht. Bron: Nessy-Pic, ‘View of the National Coal Museum’, 31 maart 2014

Vaak bieden gemusealiseerde plaatsen een mengeling van reconstructies en gebouwen die qua materiaal en vorm authentiek zijn. Een bekend voorbeeld is Colonial Williamsburg in de Amerikaanse staat Virginia. Dit historische district bestaat uit geconserveerde en gerestaureerde gebouwen uit het koloniale Amerika van de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw en wordt uitgebaat als een openluchtmuseum. Het gebied is vrij toegankelijk, maar om de gebouwen te betreden, moet een toegangsbewijs worden aangeschaft.


De antropologen Eric Gable en Richard Handler, die veel onderzoek hebben gedaan naar de omgang met het verleden door bezoekers van Colonial Williamsburg, hebben beargumenteerd dat de beleving van deze plek voor een groot deel wordt beïnvloed door de persoonlijke herinneringen van bezoekers. Die herinneringen gaan niet alleen over eerdere bezoeken aan het historisch district, maar ook over de geschiedenis die er wordt gepresenteerd. Soms kunnen die een ervaring van authenticiteit in de weg zitten. Het streven van conservatoren om gebouwen dichterbij de ‘historische werkelijkheid’ te brengen door ze fris te schilderen of te voorzien van een ander behang, kan bij sommige bezoekers conflicteren met hun herinnering en beeld van het verleden dat eerder berust op verval en vuiligheid. [16]


Uit onderzoek van archeoloog Siân Jones naar een openluchtmuseum in Schotland bleek eveneens dat dit soort aspecten van ouderdom en een verweerde uitstraling, meer nog dan de oorspronkelijkheid van het materiaal, belangrijk zijn voor de ervaring van authenticiteit. Ook de mogelijkheid om objecten en gebouwen te kunnen aanraken, speelt daarin een belangrijke rol. [17] Een ervaring van authenticiteit komt volgens Jones dan ook tot stand wanneer bezoekers vanuit hun achtergrond en ervaringen kunnen aanhaken op gebeurtenissen en personen uit het verleden die aan een object of plaats zijn verbonden. De tastbaarheid van een object en de sporen van het verleden die het laat zien, zorgen ervoor dat dit contact wordt bewerkstelligd. [18]


In het veld van museumstudies wordt in dit verband wel gesproken over het zogenoemde ‘entrance narrative’ van de bezoeker: het verhaal dat zij meenemen wanneer ze het museum binnenkomen. [19] Dit zorgt ervoor dat mensen met diverse culturele achtergronden een tentoonstelling op heel verschillende wijzen kunnen ervaren. Waar voor sommigen een bepaald object of verhaal een sterke emotionele of morele betrokkenheid teweegbrengt, voelen anderen hier weinig bij of willen zij het juist op afstand houden. [20]

Raleigh Tavern in Colonial Williamsburg. Bron: Humberto Moreno, ‘Colonial Williamsburg’, 28 december 2008

De ervaring van authenticiteit wordt in Colonial Williamsburg echter niet alleen beïnvloed door de aanwezige gebouwen en objecten, maar ook door de wijze waarop het museum informatie geeft over het verleden. Gekostumeerde medewerkers die zich voordoen als inwoners en bijvoorbeeld historische ambachten demonstreren, brengen het historische stadje tijdens openingstijden tot leven. In die duiding kunnen verschillende keuzes worden gemaakt. Zo kreeg het museum vanaf het einde van de jaren 1970 steeds meer kritiek dat het een opgeschoonde en witte interpretatie van het verleden zou brengen, met weinig oog voor het deel van de bevolking dat in slavernij verkeerde. Daarom werd er een speciale afdeling opgericht die zich tot doel stelde om op iedere plek in Colonial Williamsburg aandacht te besteden aan het slavernijverleden. [21] Omdat het personeel zich niet altijd comfortabel voelde in het vertellen van deze geschiedenis, werd het onderwerp echter vaak ook vermeden of verbloemd. [22] Daarbij komt dat materieel gezien alle verwijzingen naar het slavernijverleden zijn verdwenen. De vraag is of een dergelijke betekenis die in het landschap verder niet zichtbaar is, bij bezoekers goed overkomt en ook in de toekomst standhoudt. [23]

Gekostumeerde medewerkers in Colonial Williamsburg. Bron: Harvey Barrison, ‘Colonial Williamsburg’, 26 april 2008

Een bezoek aan een gemusealiseerde historische plaats als Colonial Williamsburg leidt volgens Gable en Handler dan ook tot een ervaring waarin historische kennis wordt vermengd met persoonlijke herinneringen. [24] Om bezoekers van historische plaatsen hun eigen verbeelding te kunnen laten gebruiken, hebben de erfgoedonderzoekers Kate Gregory en Andrea Witcomb wel beargumenteerd dat een zekere leegte op de plaats van belang is, zodat zij deze zelf kunnen interpreteren en betekenis kunnen geven. Veel traditionelere museumhuizen presenteerden volgens hen middels een overdaad van objecten een nostalgisch verhaal dat uitsluitend aansloot op de herinneringen van een bepaalde doelgroep. Voor mensen die niet bij die doelgroep hoorden, met name jongeren, genereerde deze opzet juist een grotere afstand tot het verleden. [25]

Ruimtelijke verhalen

Bij historische plaatsen vertelt niet alleen de duiding een verhaal over het verleden. Ook door plekken op een bepaalde manier met elkaar te verknopen, bijvoorbeeld door middel van een route die mensen moeten lopen, kan (bewust of onbewust) een verhaalstructuur ontstaan. Die verbinding kan eveneens bijdragen aan een ervaring van afstand, nabijheid of betrokkenheid tot het verleden. Denk aan gebruikers van een stadswandeling die van punt naar punt wandelen en daarmee in een bepaalde volgorde een historisch verhaal meekrijgen. Vaak hangt dit verhaal van toevalligheden aan elkaar. Plaatsen worden op zo’n manier met elkaar verbonden dat de meest logische wandelroute wordt gevormd.


De plotlijn van de eerdergenoemde slavernijwandeling in Bristol laat zich dan ook vooral kenmerken als een zogenoemde ‘zigzag’. [26] De volgorde waarin mensen plaatsen bezoeken, zorgt ervoor dat informatie over de slavenhandel en de welvaart die dit aan de stad heeft gebracht, wordt afgewisseld met geschiedenis over de anti-slavernijbeweging. [27] Het feit dat de plekken over anti-slavernij niet alleen aan het einde van de wandeling aan bod komen, maakt dat er niet een duidelijke vooruitgang of achteruitgang in de tijd wordt gevolgd. Een vooruitgangsverhaal, dat bijvoorbeeld ontstaat door te beginnen met plekken over het begin van de slavenhandel en te eindigen met de afschaffing ervan, kan een gevoel van trots en morele zelfvoldoening aanmoedigen, omdat de vertelde geschiedenis uiteindelijk een ‘goede afloop’ heeft. Het ‘zigzag’-verhaal van deze stadswandeling stimuleert een dergelijke betrokkenheid niet en benadrukt eerder de afstand tussen heden en verleden door de geschiedenis weer te geven als een complex geheel aan gebeurtenissen die elkaar afwisselen.


Toch moeten de effecten van een verknoping van plaatsen in een stadswandeling niet worden onderschat. Het lopen zelf is namelijk altijd een onderdeel van de beleving. De activiteit van het wandelen zorgt ervoor dat bepaalde zintuiglijke ervaringen worden geprikkeld en er, naarmate de tocht vordert, een gevoel van vermoeidheid kan ontstaan. [28] Uit onderzoek naar tentoonstellingen in musea blijkt dat het een groot verschil maakt of bezoekers bijvoorbeeld in een rechte lijn door de presentatie lopen of juist een route bewandelen met veel kronkels en zijpaden. Het eerste zou een gevoel van objectiviteit benadrukken en – in het geval van geschiedenis – impliceren dat geschiedenis zich overzichtelijk (en haast onvermijdelijk) van een beginpunt naar een bepaald doel voltrekt. De tweede vorm van presentatie geeft bezoekers juist meer een idee dat gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden complex zijn en ook op een andere manier hadden kunnen verlopen. In plaats van rechtlijnigheid toont het dus de gelaagdheid van geschiedenis. [29]


Het lopen draagt daarmee bij aan het verhaal: een principe dat wel wordt aangeduid als de ‘narratieve ruimte’. [30] Een mooi voorbeeld van hoe stedelijke ruimte een verhaal kan vertellen is de Tovertunnel in Rotterdam. Deze half-overdekte doorgang tussen huizen verbindt het modernere, armere gedeelte van de wijk Delfshaven met het eerdergenoemde beschermde stadsgezicht. Omdat de donkere tunnel een naargeestige sfeer opriep en er sprake was van overlast, werd hij eind jaren 90 van de twintigste eeuw opgefleurd met kleurrijke tekeningen en neonverlichting. Door het grote contrast dat door de looproute wordt gecreëerd, voelt een bezoek aan historisch Delfshaven via de Tovertunnel in zekere zin alsof je naar een andere tijd wordt getransporteerd.

Park Street die loopt naar het hoger gelegen deel van de stad Bristol. Bron: Pieter de Bruijn, 21 november 2013

Bristol Cathedral aan de top van Park Street in Bristol.
Bron: Pieter de Bruijn, 21 november 2013

Wanneer we de slavernijroute in Bristol bekijken als een ‘narratieve ruimte’ dan zien we dat ook daar de wandeling een verhaal vertelt en in zekere mate toch een vooruitgangsperspectief laat zien. Dat komt doordat de stad is onderverdeeld in een hoger en een lagergelegen deel. Gebruikers beginnen in het zuidelijke havengebied dat het begin van de handel met de koloniën illustreert. Via een lange zigzag route kronkelen ze naar de top van de heuvel waar ze het rijkste stuk van Bristol aantreffen, met bijvoorbeeld de kathedraal die (indirect) voor een groot deel uit de opbrengsten van de driehoekshandel is gefinancierd. Op die manier impliceert de ruimtelijke verhaallijn van deze stadswandeling als het ware dat de stad Bristol is gebouwd op een systeem van slavernij. De route belichaamt daarmee niet alleen het verleden, maar ook een morele boodschap voor het heden.

Conclusie

Plaatsen laten in verschillende mate iets van hun verleden zien. Of dat zo is en om welke geschiedenis het dan gaat, hangt af van hoe ze door de tijd heen zijn overgeleverd. Beleid rond ruimtelijke ordening, het behoud van cultureel erfgoed en de musealisering van plaatsen speelt hierin een belangrijke rol. Het beeld dat historische plaatsen van het verleden geven, verwijst hierdoor meestal niet naar één specifieke periode, maar bestaat doorgaans uit een mengeling van sporen van verschillende geschiedenissen. Zij presenteren als het ware een amalgaam van tijd.


Hoe bezoekers een plaats beleven is sterk afhankelijk van hun achtergrond. Een (kunst)historicus die verschillende bouwstijlen in de tijd kan plaatsen of detailkennis heeft van de geschiedenis van een plaats, ervaart een historische plaats weer op een andere manier dan een leek die zich laat leiden door de oude of moderne uitstraling van een bepaalde plek. En iemand die persoonlijke herinneringen heeft aan een geschiedenis, zal plaatsen die verwijzen naar dit verleden weer op een andere manier ervaren dan iemand die (cultureel of in de tijd) ver van deze geschiedenis af staat. Die ervaring wordt daarnaast gestuurd door de manier waarop aan plaatsen betekenis wordt gegeven. Door bijvoorbeeld een sterke focus op personen of het prikkelen van meerdere zintuigen, maar ook doordat via een ruimtelijke verbinding van plekken een verhaalstructuur ontstaat, kunnen plaatsen een emotionele of betrokkenheid tot het verleden stimuleren.


Tot welke geschiedenissen mensen zich wel of niet verbonden voelen, hangt altijd samen met actuele opvattingen over het verleden. Zo heeft de omgang met het slavernijverleden in veel westerse samenlevingen de afgelopen decennia belangrijke ontwikkelingen doorgemaakt, mede onder invloed van migranten uit de voormalige koloniën die aandacht vroegen voor nieuwe perspectieven. [31] In combinatie met keuzes in behoud en interpretatie, is een wandeling door historische plaatsen daarmee vooral ook een beleving van de hedendaagse omgang met geschiedenis.

Voetnoten

[1] Willem Frijhoff, ‘Physical space, urban space, civic space. Rotterdam’s inhabitants and their appropriation of the city’s past’ in: Marnix Beyen en Brecht Deseure ed., Local memories in a nationalizing and globalizing world (Londen en New York 2015) 27-50, aldaar 38; Susan Hogervorst en Pieter de Bruijn, ‘Verbindend erfgoed, vervreemdend verleden. Het nieuwe Museum Rotterdam en lokaal historisch besef’, Stadsgeschiedenis 11 (2016) afl. 1, 78-89, aldaar 85-87.

[2] Pieter de Bruijn, Bridges to the past: historical distance and multiperspectivity in English and Dutch heritage educational resources (Proefschrift Erasmus Universiteit Rotterdam, Rotterdam 2014).

[3] Mark S. Phillips, ‘History, memory and historical distance’ in: Peter Seixas ed., Theorizing historical consciousness (Toronto enz. 2004) 86-102, aldaar 95; De Bruijn, Bridges to the past.

[4] Eviatar Zerubavel, Time maps: collective memory and the social shape of the past (Chicago en Londen 2003) 41-42.

[5] Zie ook: De Bruijn, Bridges to the past, 91-114.

[6] ‘Erfgoedwet’, https://wetten.overheid.nl/BWBR0037521/2017-09-01, laatst geraadpleegd op 15 april 2019.

[7] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/erfgoed/erfgoedwet

[8] Marieke Kuipers, ‘Culturele grondslagen van de Monumentenwet’, Bulletin KNOB 111 (2012) afl. 1, 10-25, aldaar 10-11.

[9] Laurajane Smith, Uses of heritage (Londen en New York 2006) 17-26.

[10] Wim Denslagen, Romantic modernism. Nostalgia in the world of conservation (Amsterdam 2009) 9-35.

[11] Lijst documenten horend bij Beschermd Gezicht 1595, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/Beschermde_Gezichten/BG1595/, laatst geraadpleegd op 15 april 2019.

[12] ‘Historic site, Queen Square’, PortCities Bristol. http://discoveringbristol.org.uk/browse/slavery/historic-site-queen-square/, laatst geraadpleegd op 15 april 2019.

[13] Zeeuws Archief, Geboeid door het Zeeuwse slavernijverleden, 6-7.

[14] Zie ook: De Bruijn, Bridges to the past, 91-114.

[15] Bella Dicks, Culture on display. The production of contemporary visitability (e-boekuitgave; Maidenhead 2003) hoofdstuk 5.

[16] Eric Gable en Richard Handler, ‘Public history, private memory: notes from the etnhography of Colonial Williamsburg, Virginia, USA’, Ethnos 65 (2000) afl. 2, 237-252, aldaar 238-241.

[17] Siân Jones, ‘Experiencing authenticity at heritage sites: some implications for heritage management and conservation’, Conservation and Management of Archaeological Sites 11 (2009) afl. 2, 133-147, aldaar 138-139.

[18] Siân Jones, ‘Negotiating authentic objects and authentic selves: beyond the deconstruction of authenticity’, Journal of Material Culture 15 (2010) afl. 2, 181-203, aldaar 190-197.

[19] Zahava D. Doering en Andrew J. Pekarik, ‘Questioning the entrance narrative’, Journal of Museum Education 21 (1996) afl. 3, 20–23, aldaar 20.

[20] Laurajane Smith, ‘Affect and registers of engagement. Navigating emotional responses to dissonant heritages’ in Laurajane Smith, Geoffrey Cubitt, Ross Wilson en Kalliopi Fouseki ed., Representing enslavement and abolition in museums (New York 2011) 260-303, aldaar 267-299; Geerte M. Savenije en Pieter de Bruijn, ‘Historical empathy in a museum: uniting contextualisation and emotional engagement’, International Journal of Heritage Studies 23 (2017) afl. 9, 832-845, aldaar 842.

[21] Eric Gable, ‘Maintaining boundaries, or “mainstreaming” black history in a white museum’ in: Sharon Macdonald en Gordon Fyfe ed., Theorizing museums: representing identity and diversity in a changing world (Oxford en Cambridge 1996) 177-202, aldaar 180-182.

[22] Richard Handler en Eric Gable, The new history in an old museum: creating the past at Colonial Williamsburg (Durham en Londen 1997) 84.

[23] Marcus Wood, ‘Historic Williamsburg: theatre, memory and colonial slavery’ in: Julia Swindells en David Francis Taylor, The Oxford Handbook of the Georgian Theatre, 1737-1832 (Oxford 20140) 706-725, aldaar 707.

[24] Gable en Handler, ‘Public history, private memory’, 243.

[25] Kate Gregory en Andrea Witcomb, ‘Beyond nostalgia. The role of affect in generating historical

understanding at heritage sites’ in: Simon J. Knell, Suzanne MacLeod en Sheila Watson ed., Museum revolutions: how museums change and are changed (e-boekuitgave; New York 2007) hoofdstuk 20.

[26] Zerubavel, Time Maps, 18-20.

[27] De Bruijn, Bridges to the past, 94-95.

[28] Rebecca Casbeard, ‘Slavery heritage in Bristol: history, memory and forgetting’, Annals of Leisure Research 13 (2010) afl. 1-2, 143-166, aldaar 159.

[29] Susan Pearce, Museums, objects and collections. A cultural study (Leicester 1998) 137-139; De Bruijn, Bridges to the past, 56, 174.

[30] Herman Kossmann, Suzanne Mulder en Frank den Oudsten, Narrative spaces. On the art of exhibiting (Rotterdam 2012).

[31] Pieter de Bruijn, ‘Slavernij in perspectief: de dynamiek van erfgoed’, LOCUS: tijdschrift voor studenten en docenten cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit 37 (2015) 12-17.

Over de auteur

Pieter de Bruijn is cultuurhistoricus en werkt als universitair docent bij de opleiding Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Zijn onderzoek speelt zich af op het kruisvlak van cultureel erfgoed, historische representatie en (geschiedenis)onderwijs.

© 2019 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU |Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl