Theodor Lessing: filosofie als overdenking van het eigen leven

Herman Simissen

Publicatiedatum: 13 oktober 2018

Inleiding

De vraag wat filosofie is, is een bijzondere vraag. Immers, wanneer we proberen deze vraag te beantwoorden, zijn we al meteen midden in de filosofie beland: nadenken over wat filosofie is, is een vorm, zelfs een heel belangrijke vorm, van filosofie. Wat dit betreft, verschilt de filosofie van de wetenschappen. Een voorbeeld kan dit illustreren. Als een historicus nadenkt over de vraag wat geschiedwetenschap is, dan kan hij die vraag niet beantwoorden door historisch onderzoek: historisch onderzoek is het stellen van vragen over het verleden, en het proberen die vragen te beantwoorden aan de hand van bewijsmateriaal uit het verleden. Maar de vraag wat geschiedwetenschap is, valt niet door dergelijk onderzoek te beantwoorden. Zo ook kan een bioloog de vraag wat biologie is niet beantwoorden door biologisch onderzoek; evenmin kan een geneeskundige de vraag wat geneeskunde is beantwoorden door een patiënt eens goed te bekijken. Als een historicus nadenkt over de vraag wat geschiedwetenschap is, of als een bioloog nadenkt over de vraag wat biologie is, doet hij niet aan geschiedenis, respectievelijk aan biologie, maar aan filosofie. De wetenschappen zijn, met andere woorden, niet in staat om een omschrijving van zichzelf te geven, terwijl de filosofie dat wel kan. De vraag ‘wat is filosofie?’ is daarmee een vraag die wel, en zelfs alleen, vanuit de filosofie kan worden beantwoord. Het is dan ook nauwelijks toevallig dat veel belangrijke filosofen hun eigen visie op de vraag wat filosofie is uitdrukkelijk naar voren hebben gebracht. Een aantal voorbeelden, tamelijk willekeurig gekozen uit de twintigste eeuw: Was ist das – die Philosophie van Martin Heidegger, Que é filosofia van José Ortega y Gasset, Was ist Philosophie? Ein Lesebuch van Karl Jaspers, Qu’est ce-que la philosophie van Gilles Deleuze en Felix Guattari, een mooi voorbeeld uit het Nederlandse taalgebied, Inleiding tot de verwondering van Cornelis Verhoeven, en Knowing and Acting. An invitation to philosophy, een van mijn favoriete inleidingen, van de Engelsman Stephen Toulmin [1].

‘Ware’ versus academische filosofie

Nu werd er uiteraard al langer nagedacht over de vraag wat filosofie is, en in dit kader maakte de Duitse filosoof Friedrich Schlegel (1782-1829) een onderscheid tussen wat hij noemde de ‘Philosophie des Lebens’ en de ‘Schulphilosophie’. De eerste vorm van filosofie beschouwde hij als filosofie in de ware zin van het woord, de tweede – de filosofie zoals zij wordt onderwezen aan universiteiten en hogescholen – als in het beste geval een voorbereiding op de filosofie in de eigenlijke zin van het woord. Dit onderscheid dat Schlegel maakte is in de Duitse filosofie heel invloedrijk gebleven. In de negentiende eeuw zien we het bijvoorbeeld terug bij Arthur Schopenhauer (1788-1860) en Friedrich Nietzsche (1844-1900), die evenzeer geneigd zijn zich af te zetten tegen de academische filosofie, en de filosofie zoals onderwezen aan universiteiten en hogescholen niet te beschouwen als filosofie in de ware zin des woords.


Ook de Duitse filosoof Theodor Lessing (1872-1933) ging uit van dit onderscheid, en op verschillende plaatsen in zijn werk probeert hij te verhelderen wat hij ermee bedoelt. Lessing duidt de filosofie zoals onderwezen aan universiteiten en hogescholen aan als ‘Über-Philosophie’, een moeilijk vertaalbaar woordgrapje dat wil uitdrukken dat deze vorm van filosofie wel over filosofie gaat, maar eigenlijk geen filosofie is, want een soort metafilosofie. Hij vergelijkt het werk dat kenmerkend is voor deze vorm van filosofie met dat van literatuurwetenschappers: wat literatuurwetenschappers schrijven gaat over literatuur, over proza en poëzie, maar is zelf geen literatuur. Hetzelfde geldt voor de academische filosofie: het gaat wel over filosofie, maar is geen filosofie in de ware zin des woords. De academische filosofie maakt zich enorm druk over de juiste interpretatie van een zinnetje in het werk van Plato of Aristoteles, van Kant of Hegel, maar Lessing ziet dit niet als ‘echte’ filosofie, maar als een soort metafilosofie. Het grote bezwaar dat hij tegen deze benadering heeft, is het naar zijn idee volstrekt arbitraire karakter ervan: het dispuut had net zo goed kunnen gaan over een zinnetje bij Augustinus, bij Descartes of Spinoza [2].

Ja, wie in het bijzonder het Duitse universiteitswezen kent, die wordt verleid te geloven dat aan elke van onze hogescholen twee gewone hoogleraren in de filosofie worden betaald met dat doel, dat de een datgene wat de ander schrijft zou kunnen weerleggen – wat dan meestal ook lukt [3].

Lessing: de innerlijke noodzaak van ‘ware’ filosofie

Tegenover deze academische filosofie plaatst Lessing de filosofie in de ware zin des woords. Waardoor verschilt deze eigenlijke filosofie nu van de academische filosofie? Volgens Lessing komt filosofie in de ware zin des woords voort uit een innerlijke noodzaak – zij betreft vragen waarover de filosoof vanuit een innerlijke gedrevenheid wel moet nadenken. En deze innerlijke gedrevenheid komt op haar beurt daaruit voort, dat de eigen ervaringen van de filosoof het onderwerp van zijn of haar denken zijn, om precies te zijn die ervaringen die op de een of andere bepalend zijn gebleken voor zijn of haar kijk op de wereld. Dit geldt in algemene zin:

Maar de hele stof van de filosoof is een leven, dat met hem ter wereld kwam. Niet het leven, niet de ervaring, maar zijn leven en zijn ervaring [4].

Maar het geldt evenzeer voor de filosofie van Lessing zelf:

Want mijn filosofie was mijn filosofie. Ik moest, om haar te kunnen scheppen, geboren worden en levend sterven [5].

Het zal niemand verbazen dat Lessing ook zichzelf zag als een beoefenaar van de filosofie in de ware zin des woords.


Lessing poneert zo dus een sterke samenhang tussen de filosofie en de biografie van een ware filosoof: een echte filosoof overdenkt zijn of haar eigen meest wezenlijke ervaringen:

Wat een denker dus voor een filosofie heeft, dat hangt daarvan af, wat hij bij de eerste blik op de wereld vooral ziet. Dat wil zeggen, het hangt af van de geneigdheid van zijn waarnemingen. En deze dan weer van de aard van zijn voelen en waarderen, dat wil zeggen, van de samenstelling van zijn persoonlijkheid [6].

Dit soort opmerkingen maakt de vraag interessant, of dit ook voor zijn eigen filosofie geldt: is ook zijn eigen filosofie op een of andere wijze een afspiegeling van zijn meest wezenlijke ervaringen?

Nu heeft Lessing een autobiografie geschreven, Einmal und nie wieder [7], en verschillende kortere autobiografische teksten, aan de hand waarvan we kunnen achterhalen wat hij als zijn meest wezenlijke ervaringen beschouwde. De autobiografie Einmal und nie wieder werd in 1935 postuum gepubliceerd, twee jaar na de moord op Lessing, als eerste deel van wat een (her)uitgave van zijn belangrijkste geschriften had moeten worden. Na het eerste deel is er echter geen volgend deel verschenen. Zijn autobiografie beslaat de jeugd van Lessing, grofweg de periode tot 1900, al staan er enkele passages in die later jaren betreffen. Zo gaat Lessing in op de wijze waarop Duitse intellectuelen reageerden op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog – een reactie die hij zowel verbijsterend als weerzinwekkend vond.


De autobiografie van Lessing is overigens bepaald niet onomstreden, omdat er nogal wat feitelijke onjuistheden in staan. Lessing is slordig met de spelling van namen, en onzorgvuldig met de datering van gebeurtenissen. Bovendien staat er een passage in, die onmogelijk gebeurd kan zijn: de beschrijving van zijn jaar op een school die pas veel later werd opgericht. Men moet daarom uiterst voorzichtig zijn met het trekken van feitelijke conclusies uit dit boek, en nog meer dan gewoonlijk in historisch onderzoek een bevestiging zoeken in ander bewijsmateriaal. Maar wel kan men uit het boek afleiden hoe Lessing zijn jeugd heeft ervaren.

Opgroeien in ‘twee hellen’

Lessing beschrijft zijn jeugd als een verblijf in ‘twee hellen’ – een hel thuis, en een hel op school.


Waarom was het leven thuis een hel? Lessing karakteriseert het huwelijk van zijn ouders als uitermate ongelukkig. Afgaande op wat hij schrijft – en zijn relaas wordt bevestigd door zijn biograaf Rainer Marwedel [8] – was zijn vader Sigmund Lessing (1838-1896) eigenlijk niet verliefd op zijn moeder Adèle Ahrweiler (1848-1926), maar op haar jongere zus Antonie (1852-1913). Maar omdat zijn schoonvader hem een hogere bruidschat beloofde wanneer hij met de oudste dochter trouwde, deed hij dat. Daarvan kreeg hij echter spijt: volgens de overlevering vroeg hij zijn schoonvader, terwijl zijn vrouw al zwanger was van Theodor, toestemming van haar te scheiden en alsnog met haar jongere zus te trouwen. Deze zus was inmiddels verloofd met een ander, en wilde niet meewerken aan het plan. Daarom bleef Sigmund Lessing toch maar bij zijn echtgenote, niet in de laatste plaats omdat hij bereid noch in staat was de bruidschat terug te betalen. Maar het is geenszins verwonderlijk dat er geen fundament was voor een gelukkig huwelijk. Bij zijn geboorte bleek Theodor Lessing sterk op zijn moeder te lijken – volgens hem de reden waarom zijn vader hem van jongs af aan haatte. De uiterst moeilijke verhouding tussen vader en zoon is dan ook het overheersende thema van Einmal und nie wieder – Lessing komt er herhaaldelijk op terug, ook in hoofdstukken die eigenlijk ergens anders over gaan. Zo beschrijft hij dat hij op een bepaald moment thuiskwam, terwijl zijn vader in de kamer zat te dutten. Zijn eerste gedachte was: ‘Nu kun je het doen! Wurg hem, en iedereen is bevrijd!’. [9] Hij deed het uiteraard niet, maar alleen al dat de gedachte bij hem opkwam is veelzeggend.


De verhouding met zijn moeder was nauwelijks beter. Volgens Lessing was dit vooral te wijten aan haar gebrek aan persoonlijkheid: zij was in geen enkel opzicht opgewassen tegen haar echtgenoot. Lessing typeert zijn moeder als een slaaf die blij is wanneer hij goudens ketens krijgt. Bij conflicten koos zij altijd partij voor haar man – zelfs wanneer zij door hem werd geslagen werd zij boos op haar zoon als hij voor haar opkwam. In Einmal und nie wieder beschrijft Lessing hoe zijn vader bij onenigheid zijn moeder aansprak met haar meisjesnaam, ‘Ahrweiler’, en dat het pas geleidelijk tot hem doordrong dat Ahrweiler geen scheldwoord was maar haar achternaam. Typerend is ook dat zijn vader de hond van het gezin de naam ‘Ahrweiler’ gaf, dus de achternaam van zijn echtgenote.


Zo beschrijft Lessing zijn jeugdjaren, tot hij het ouderlijk huis verliet, als een verblijf in de hel. Dit maakt het niet verwonderlijk dat hij, toen hij ging studeren, een universiteit uitkoos die zo ver mogelijk verwijderd was van zijn ouderlijk huis in Hannover.


Op school verging het hem al niet beter: hij beschouwde zijn school als de tweede hel waarin hij verbleef. Zijn leraren beschouwden hem weliswaar als intelligent, maar, met een bijna onvertaalbare Duitse uitdrukking, ook als ‘nicht schulgemäß’, dat wil zeggen niet aangepast aan school en ook niet geschikt voor aanpassing. Lessing was een scholier die vooral zijn eigen belangstelling volgde en zich dan grondig in allerlei onderwerpen verdiepte, maar tegelijkertijd de stof verwaarloosde die hem door zijn leraren werd opgedragen. Volgens Lessing waren in zijn schooltijd drie vakken belangrijk: ijver, gehoorzaamheid en vaderlandsliefde. In het onderwijs in Duitsland in de tweede helft van de negentiende eeuw schrokken leraren er niet voor terug, leerlingen door middel van lijfstraffen in het gareel te houden. De schooljaren van Lessing verliepen zo uiterst moeizaam: hij werd door zijn vader meermaals van school gehaald en naar een andere school gestuurd – in de hoop dat het hem daar beter zou vergaan. Maar dat hielp weinig: het bleef moeizaam gaan, totdat Lessing uiteindelijk onder de hoede kwam van de classicus dr. Max Schneidewin (1843-1931) – een docent die zijn belangstelling voor literatuur en filosofie deelde en stimuleerde, en die er wel in slaagde hem aan het werk te krijgen, zodat hij uiteindelijk zijn diploma haalde. Eén van de maatschappelijke activiteiten waarin Lessing in later jaren actief was, was een beweging voor hervorming van het onderwijs in Duitsland, met de fraaie naam Bund entschiedener Schulreformer. Zijn betrokkenheid bij deze beweging vloeit rechtstreeks voort uit de wijze waarop hij zijn eigen schooltijd had ervaren: een leven in de hel, een tweede hel naast de hel waarin hij thuis verbleef.


Het is, op grond van de wijze waarop Lessing zijn jeugdjaren beschrijft, nauwelijks verwonderlijk dat hij leven beschrijft als lijden, ofwel: leven is in nood verkeren. Precies om deze reden noemt Lessing zijn filosofie de ‘filosofie van de nood’.

Filosofie van de nood

Deze ‘filosofie van de nood’ heeft hij uitgedacht in de periode tussen ongeveer 1890 en 1914. Hij schrijft dat de eerste grondgedachten voor zijn eigen filosofische systeem hem invielen toen hij als zeventienjarige wandelde in de omgeving van zijn geboorte- en woonplaats Hannover. In de volgende jaren ontwikkelde hij deze ideeën verder. In het voorjaar van 1914 had hij, naar eigen zeggen, het gevoel dat hij zijn systeem rond had, en dat hij klaar was om het op schrift te stellen. Hij had daarover al afspraken gemaakt met zijn uitgever. Maar toen brak de Eerste Wereldoorlog uit – zijn uitgever sneuvelde aan het front, en Lessing had ineens ingrijpender problemen aan zijn hoofd dan het op schrift stellen van zijn filosofische systeem, zoals het overleven van de oorlog met zijn (tweede) vrouw en kinderen. Bovendien was hij volledig verrast door het enthousiasme waarmee nogal wat van zijn landgenoten, met name ook intellectuelen, de oorlog begroetten. Het gevolg van dit alles was dat Lessing zijn filosofie nooit in uitgewerkte vorm op schrift heeft gesteld. Maar dit filosofische systeem wordt wel verondersteld in publicaties als Europa und Asien [10] en Geschichte als Sinngebung des Sinnlosen [11], waarmee hij tussen de beide wereldoorlogen bekendheid kreeg. Zijn filosofische systeem moet daarom worden gereconstrueerd uit verspreide opmerkingen in andere publicaties. [12]


Wat houdt de ‘filosofie van de nood’ nu eigenlijk in? Een geschikt uitgangspunt voor een uiteenzetting van de filosofie van de nood van Theodor Lessing is de alledaagse constatering dat pijn of nood een mens alerter maakt: wie pijn heeft of in nood verkeert is alerter dan wie geniet en ontspannen is. Uit deze constatering leidt Lessing de conclusie af dat, meer algemeen, het bewustzijn als zodanig het product is van de nood. In zijn terminologie: de geest wordt uit nood geboren. Dat wil zeggen, dat de mens ‘in den beginne’ één was met de natuur, of beter: natuur was. Maar gedreven door de nood – Lessing maakt een toespeling op gruwelijke voorhistorische gevechten om voedsel – maakte de mens zich los uit de natuur: de mens ging zichzelf zien als onderscheiden van, of zelfs tegengesteld aan de natuur. Sindsdien moeten, aldus Lessing, twee ‘sferen’ worden onderscheiden: de sfeer van het oorspronkelijke leven waaruit de mensheid zich heeft losgemaakt, door hem aangeduid als vitalité; en de sfeer van de werkelijkheid waarvan de mens zich bewust is, door hem réalité genoemd. Deze laatste sfeer wordt vormgegeven door het menselijk bewustzijn: de réalité is het product van ordening door het menselijk bewustzijn. Naast vitalité en réalité onderscheidt Lessing nog een derde sfeer: die van de vérité, dat is de sfeer van bewijsbare logische en wiskundige waarheden, en van altijd geldige noties als de ‘categorische imperatief’ van Kant. Volgens Lessing bestaan deze drie sferen onafhankelijk van elkaar. Onbewust beseft de mens dat deze drie sferen gescheiden zijn, en dit wordt gevoeld als een onvolkomenheid die zou moeten worden hersteld; dit is echter niet mogelijk. Wel staat de mens bij uitzondering in contact met de sfeer van de vitalité, bijvoorbeeld wanneer iemand zozeer opgaat in een toneelstuk dat ieder onderscheid tussen ‘ik’ en ‘buitenwereld’ verdwijnt. Dit proces noemt Lessing Ahmung, letterlijk: ijking. Op haar beurt kan de sfeer van de vérité dienen als leidster voor de réalité: zij toont idealen die weliswaar onbereikbaar zijn, maar desondanks kunnen dienen ter oriëntatie in de sfeer van de réalité. Het uittreden van de geest uit de sfeer van vitalité is geen voltooid, maar een nog altijd voortgaand proces. Het is nergens zover voortgeschreden als in Europa, waarbij aangetekend dat Lessing de term ‘Europa’ niet in geografische zin gebruikt maar als aanduiding voor een culturele eenheid waartoe ook de Verenigde Staten, Canada, en Australië behoren. Dit proces van uittreding uit de sfeer van de vitalité gaat per definitie ten koste van de oorspronkelijke natuur. Vandaar dat Lessing stelt dat de aarde uiteindelijk ten onder zal gaan aan dit proces. Dit is echter geen reden tot pessimisme: het is een onomkeerbaar proces dat zich nu eenmaal zo voltrekt.


Zoals gezegd is het meest fundamentele inzicht van de filosofie van de nood van Theodor Lessing de idee dat leven in nood verkeren is. Maar wie in nood verkeert, voelt onwillekeurig dat dit een oneigenlijke situatie is. Wanneer iemand pijn heeft, wil hij of zij dat er een einde aan die pijn komt. Lessing vergelijkt in nood verkeren met een onjuiste conclusie die in de logica aan een redenering wordt verbonden. Zo’n onjuiste conclusie vraagt er als het ware om, dat zij wordt gecorrigeerd. Zo ook vraagt het in nood verkeren erom, dat het wordt gecorrigeerd: wie in nood verkeert, wil uit deze nood worden verlost. Dit heeft verregaande consequenties in de filosofie van Lessing. Ten eerste: het houdt in dat hij het menselijk bewustzijn en daarmee de hele werkelijkheid waarvan we ons bewust zijn (de réalité, in zijn terminologie) beschouwt als een afwijking, dat wil zeggen als een afwijking van de situatie zoals zij zou moeten zijn. De menselijke geest en daarmee de réalité zijn uit nood geboren en dragen de sporen van die nood.


Aan dit inzicht verbindt Lessing vervolgens een conclusie ten aanzien van datgene, waar het in een mensenleven echt om draait. De mensheid lijdt aan het in nood verkeren, en zou uit die nood moeten worden verlost. Daarom zou ieder mensenleven in het teken moeten staan van het opheffen van de nood, aan het verminderen van het lijden aan de nood. Een mens is, met andere woorden, niet op aarde voor plat vermaak, maar met een opdracht: bijdragen aan het verminderen van de nood in de wereld. Vandaar dat Lessing schrijft: ‘Het laatste devies van mijn wijsheid luidt: “Verminder de nood!”. [13]

Besluit

Dit devies ‘Verminder de nood in de wereld’ houdt op zijn beurt enkele wezenlijke zaken in voor Lessing.


Ten eerste: het behelst een oproep aan ieder individu, zich voortdurend af te vragen wat hij of zij kan doen om de nood in de wereld te verminderen. Het is een uitdrukkelijke uitnodiging zich steeds af te vragen: wie verkeert er in nood, en wat kan ik – als individu, als lid van de samenleving – eraan doen? En dit dan uiteraard met de bedoeling er ook daadwerkelijk iets aan te doen: het is een oproep om in actie te komen. Lessing zelf heeft op allerlei manieren geprobeerd dit in praktijk te brengen. Dit is de achtergrond van bijvoorbeeld zijn inzet voor onderwijs en vorming voor arbeiders, voor de emancipatie van de vrouw, van zijn strijd tegen geluidsoverlast, maar ook van zijn verzet tegen het opkomende nationaalsocialisme en in het bijzonder tegen de Jodenvervolging.


Ten tweede moet erop worden gewezen, dat voor Lessing uiteindelijk alles ondergeschikt is aan dit ene doel: hij stelde zijn leven, maar ook zijn werk als filosoof ten dienste van dit doel. Dat wil zeggen dat zijn filosofische geschriften volgens hemzelf ten dienste staan van dit doel: uiteindelijk heeft zijn werk voor hemzelf eerst en vooral instrumentele waarde. In laatste instantie gaat het enkel en alleen om het verminderen van de nood in de wereld. Het gevolg daarvan is, dat hij van opvatting is dat hij als filosoof zou moeten worden beoordeeld op de vraag wat hij aan dat doel heeft bijgedragen: niet wat hij heeft geschreven, maar wat hij ten dienste van dat ene doel heeft gedaan is de bepalende vraag. En dat geldt naar zijn opvatting voor iedereen…


Dit houdt dan weer in, dat volgens zijn eigen normen, zijn leven en werken een eenheid vormen: zijn maatschappelijke activiteiten en zijn filosofische geschriften vormen een geheel, en moeten voor een goed begrip steeds op elkaar worden betrokken. Wat hij deed en wat hij schreef staat allemaal in het teken van het devies ‘Verminder de nood’. Zo overheerst uiteindelijk de ethiek de hele filosofie van Theodor Lessing: zijn filosofie staat ten dienste van de praktijk, zijn filosofie wil een verschil in de wereld maken.

Zoals gezien, is een van de uitgangspunten van de filosofie van Theodor Lessing de idee, dat ‘ware’ filosofie een overdenking van de meest wezenlijke ervaringen van de filosoof zelf is. In deze zin bestaat er een sterke samenhang tussen zijn denken en zijn biografie. Maar ook in een tweede zin: zijn leven en zijn werken vormen volgens zijn eigen opvattingen een onverbrekelijke eenheid. De filosofie van de nood van Theodor Lessing is een overdenking van zijn eigen, meest bepalende ervaringen; en zijn leven – daarbij alle uiteenlopende maatschappelijke activiteiten waarin hij was betrokken inbegrepen – een in praktijk gebrachte filosofie. Juist als het om Theodor Lessing gaat is daarom kennis van zijn biografische achtergrond onontbeerlijk voor een goed begrip van zijn filosofie.

Voetnoten

[1] Martin Heidegger, Was ist das – die Philosophie (1956); José Ortega y Gasset, Que é filosofia? (1957); Karl Jaspers, Was ist Philosophie? Ein Lesebuch (1976); Gilles Deleuze en Felix Guattari, Qu’est ce-que la philosophie (1991); Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de verwondering (1967); en Stephen Toulmin, Knowing and Acting. An invitation to philosophy (1976).

[2] Theodor Lessing, ‘Philosophie als Tat’, in: Archiv für systematische Philosophie, Neue Folge, 15 (1909), 23-39; herdrukt in: Theodor Lessing, Philosophie als Tat (Göttingen 1914), 1-29, aldaar 25.

[3] Theodor Lessing, Schopenhauer - Wagner - Nietzsche. Einführung in moderne deutsche Philosophie (München 1906), 427.

[4] Lessing, ‘Philosophie als Tat’, t.a.p..

[5] Theodor Lessing, Einmal und nie wieder. Lebenserinnerungen (Gütersloh 1969 [eerste uitgave Praag 1935]), 87. Cursivering van Lessing.

[6] Lessing, Schopenhauer - Wagner – Nietzsche, 175.

[7] Lessing, Einmal und nie wieder, passim.

[8] Rainer Marwedel, Theodor Lessing 1872-1933. Eine Biographie (Darmstadt en Neuwied 1987).

[9] Lessing, Einmal und nie wieder, 101.

[10] Theodor Lessing, Europa und Asien (Berlijn 1918).

[11] Theodor Lessing, Geschichte als Sinngebung des Sinnlosen (Munich 1919).

[12] Voor een uitgebreide reconstructie, vgl. Herman Simissen, The Fourth Blow. Theodor Lessing’s philosophy of history in its time (Nijmegen en Heerlen 2018, diss. Open Universiteit Nederland), 77-95.

[13] Lessing, Einmal und nie wieder, 252.

Over de auteur

Herman Simissen is filosoof en universitair docent aan de opleiding Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Hij promoveerde onlangs op een proefschrift over de Duitse filosoof Theodor Lessing.

© 2018 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU |Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl