Waanzin als hyperrationaliteit.

De onverwachte kijk op gekte in Louis Sass’ Madness and Modernism

Jeroen Vanheste

Publicatiedatum: 20 april 2021

Zo nu en dan verschijnt een boek dat met niets te vergelijken valt, het soort boek dat je werkelijk begeestert en met andere ogen laat kijken naar een bepaald onderwerp. Er wordt een nieuwe zienswijze naar voren gebracht; de benadering is origineel en eigenzinnig; het onderwerp wordt vanuit verschillende disciplines tegelijk benaderd; en het betoog wordt met een aanstekelijk enthousiasme gebracht. Ik denk bijvoorbeeld aan De filosofie van het alsof van Hans Vaihinger; Hersttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga; The Romantic Agony van Mario Praz; en From Dawn to Decadence van Jacques Barzun. Het zijn vaak boeken die een heel breed terrein bestrijken en een panoramische blik over dat terrein bieden. Zeker in onze tijd van hyperspecialisatie, waarin veel wetenschappelijke studies zich op de vierkante meter afspelen, is het verfrissend en belangrijk dat er van tijd tot tijd iemand opstaat die het nog aandurft om een totaalvisie te presenteren en die, zonder per se iets te willen bewijzen, vooral wil prikkelen, stimuleren, aan het denken zetten.

Zo’n soort boek is Madness and Modernism van klinisch psycholoog Louis Sass. De eerste druk is van 1994, een licht aangepaste editie verscheen in 2017. De stelling die Sass naar voren brengt is ronduit spectaculair: namelijk dat er sterke parallellen zijn tussen schizofrenie als psychiatrische aandoening en het modernisme en postmodernisme als culturele stromingen. Sass onderbouwt deze these door een vergelijking van schizofrene patiëntervaringen met talloze voorbeelden uit de negentiende- en vooral twintigste-eeuwse kunst, literatuur en filosofie. Vandaar de subtitel van het boek: Insanity in the Light of Modern Art, Literature, and Thought. Als gemeenschappelijke factor tussen waanzin en modernisme voert Sass de notie van hyperreflexiviteit op: volgens hem is zowel bij schizofrenie als in manifestaties van het (post)modernisme sprake van een verhoogd bewustzijn en een extreme cerebrale activiteit. In het ergste geval ontaardt dit in een op hol slaan van de rede waarbij, met achterlating van alle gezonde verstand, het contact met de gewone dagelijkse leefwereld verdwijnt en het denken zich in haar eigen spinsels verliest. [1]

In dit artikel bespreek ik de hoofdlijn van de ideeën die Sass naar voren brengt in Madness and Modernism. [2] Ik begin met de vraag wat Sass verstaat onder schizofrenie en met een toelichting van zijn benadering. Daarna bespreek ik hoe hij zijn these over de parallellen tussen waanzin en (post)modernisme verdedigt. Ten slotte ga ik in op de relevantie van Sass’ boek voor onze tijd, waarbij zal blijken dat zijn benadering veel raakvlakken heeft met recente ontwikkelingen in het denken over psychiatrische ziektebeelden. Madness and Modernism is daarom niet alleen razend interessant, maar ook actueler dan ooit.

Zienswijzen op schizofrenie

Sass verstaat onder schizofrenie niet een specifieke stoornis of aandoening, maar gebruikt de term als een containerbegrip, zoals het ook in de DSM-5 wordt opgevoerd. [3] Er zijn meerdere vormen van schizofrenie, met als gemeenschappelijke factor dat er een meer of minder verstoorde beleving is van het zelf en de wereld. Daarbij zijn diverse mogelijke symptomen, die zich in allerlei combinaties voor kunnen doen. Bovendien is er sprake van zeer uiteenlopende gradaties: schizofrene verschijnselen kunnen variëren van lichte gevoelens van vervreemding tot ernstige wanen en hallucinaties met sterk verstoorde manieren van denken en voelen. In de zwaarste vorm is er sprake van psychoses, toestanden waarin de ervaring van tijd, ruimte, causaliteit en identiteit volkomen veranderd is en de patiënt een ander universum lijkt te bewonen.

Schizofrenie is de meest raadselachtige van alle psychiatrische aandoeningen. Bij andere ernstige aandoeningen, zoals een depressie of manie, kunnen we ons nog enigszins een voorstelling maken van wat de patiënt doormaakt, maar je inleven in een ernstig schizofrene patiënt is vrijwel onmogelijk. [4] Zo iemand kan je bijvoorbeeld vertellen hoe hij zijn hoofd er heeft afgeschroefd en door zijn luchtpijp is afgedaald om de organen te bekijken; of dat hij een marionet is die wordt bewogen door kosmische draden; of dat hij door elektromagnetische straling uit te zenden ziekte, dood en rampen op de wereld kan veroorzaken. [5] Eugen Bleuler, de psychiater die de term schizofrenie muntte, merkte op dat na een leven lang omgaan met schizofrene patiënten deze nog steeds net zo vreemd en anders voor hem waren als de vogels in zijn tuin.

Wat is er aan de hand met de schizofrene patiënt dat dergelijke bizarre gedachten veroorzaakt? Er zijn van oudsher drie manieren om hier tegenaan te kijken. De eerste is de veronderstelling dat de ziekte van de geest causaal veroorzaakt wordt door een defect in het brein: er is iets stuk waardoor je gek bent. Een dergelijke visie vinden we al vanaf het einde van de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar schizofrenie werd gestart door grondleggers van de moderne psychiatrie zoals Emil Kraepelin. Deze fysicalistische zienswijze is in onze tijd opnieuw zeer dominant, in de gedaante van de hersenwetenschap die (vreemde, verstoorde) gedragingen probeert te relateren aan concrete fysieke substrata zoals (defecten in) specifieke hersengebieden of hormonen als dopamine en serotonine. Een tweede zienswijze is die van de freudianen, waarin gekte geïnterpreteerd wordt als een regressie, een terugkeer naar een meer primitieve fase uit de kindertijd waarin er nog geen strikte afbakening is tussen zelf en wereld en deze in elkaar overvloeien. En een derde manier waarop soms tegen schizofrenie wordt aangekeken is de verheerlijking ervan: de zogenaamd waanzinnige is eigenlijk niet gek, maar juist iemand die weigert mee te lopen in het gareel van rationaliteit en overbeschaving, een held van emoties, de passies en het vitale. Deze positieve kijk op Friedrich Nietzsches ‘dionysische wildeman’ vinden we bijvoorbeeld in bepaalde vormen van het romantische denken, het surrealisme, de levensfilosofie en de antipsychiatrie.

Wat deze drie traditionele zienswijzen met elkaar delen is de gemeenschappelijke overtuiging dat de schizofrene persoon niet in staat is tot logisch denken en abstract redeneren en verminderd (zelf)bewust is. De waardering kan verschillen (als een defect, een regressie, of iets positiefs), maar de beoordeling is hetzelfde: er is iets stuk. Er zijn echter grote problemen verbonden aan deze traditionele zienswijzen. Zo is er bij schizofrenie sprake van een uiterst divers beeld. Soms functioneert een patiënt cognitief nog uitstekend, maar is hij emotioneel vlak. Vaak presteren schizofrene patiënten op sommige terreinen zelfs duidelijk beter dan gemiddeld, bijvoorbeeld als het gaat om concentratie, focus en aandacht voor detail. Ook is schizofreen gedrag notoir instabiel: een patiënt kan de ene dag volkomen onsamenhangend zijn, maar de volgende dag weer coherent in wat hij betoogt. Daar komt nog bij dat het soms onduidelijk is welke gedragingen primair zijn en welke secundaire verschijnselen daaruit voortkomen: denk bij dat laatste bijvoorbeeld aan verdedigingsmechanismen. Een ander punt is dat schizofreen gedrag totaal afwijkt van gedrag dat het gevolg is van fysieke hersenbeschadigingen die het gevolg zijn van bijvoorbeeld een val, wat er op duidt dat ook andere factoren een rol spelen. Dit alles illustreert dat er geen vaste essentie is van wat het betekent om schizofreen gedrag te vertonen, waardoor het ook zo goed als onmogelijk is om eenduidige verklaringen zoals een onderliggend fysiek substraat te vinden.

Adolf Wölfli, Irren-Anstalt Band-Hain, 1910.

Schizofrenie als hyperreflexiviteit

Sass benadert schizofrenie op een radicaal andere manier: niet als het gevolg van een defect of regressie, maar als uiting van hyperreflexiviteit. Daaronder verstaat hij de obsessieve aandacht die wordt gericht op de eigen processen van waarneming, denken en (zelf)bewustzijn. De dagelijkse vanzelfsprekendheden en het gezonde verstand worden opzij gezet en maken plaats voor eindeloze overpeinzingen en problematiseringen. Wat als hetgeen ik waarneem niet de werkelijkheid is maar een illusie, of slechts een van de vele aspecten van de werkelijkheid? Wat als wat ik denk en doe niet vrijwillig is, maar wordt aangestuurd vanuit een macht buiten mij? Zou het kunnen dat ik, omgekeerd, de macht heb om louter door mijn denken de wereld te beïnvloeden? Enzovoorts. Het gaat in de zienswijze van Sass dus om een sterk verhoogd (zelf)bewustzijn en een cognitieve overactiviteit die resulteert in een vervreemding van het zelf (emoties, lichamelijkheid, identiteit) en de omgang met de wereld. De schizofrene patiënt trekt zich terug uit de wereld en sociale omgeving in zichzelf en zijn eigen gedachten. Eerder dan het verdwijnen van de ratio is er sprake van een hyperratio, de ‘socratische ziekte’ waar Nietzsche voor waarschuwde en waarbij de normale inbedding in de leefwereld verloren gaat. [6]

Hieronder bespreek ik welke argumenten Sass gebruikt voor deze zienswijze en welke parallellen hij daarbij trekt met het modernisme in de kunst, literatuur en filosofie. Eerst echter nog enkele woorden over de door Sass gehanteerde benadering. Deze is fenomenologisch: Sass onderzoekt hoe het bewustzijn (het subjectieve leven) van een schizofrene persoon eruitziet en tot welke vormen van gedrag dat leidt. Het gaat hem om het beschrijven van schizofreen gedrag en het tonen van verwantschappen met het modernisme, en dus niet om het (causaal) verklaren van hoe schizofrenie ontstaat of zich als ziekte ontwikkelt. De benadering is descriptief, vergelijkend en interpreterend, erop gericht de schizofrene persoon beter te ‘verstaan’. Sass gaat niet zozeer op zoek naar oorzaken, maar naar de mogelijke betekenis van schizofreen gedrag, dat hij weigert te zien als de onbegrijpelijke manifestaties die het gevolg zijn van een of ander defect.

Adolf Wölfli, Untitled.

Waanzin en (post)modernisme

Ik bespreek nu hoe Sass zijn visie op schizofrenie als hyperreflexiviteit onderbouwt en op parallellen met het modernisme in de kunst, literatuur en filosofie wijst. Daarbij volg ik de opbouw van het boek, waarin hij begint met hoofdstukken over lichte vormen van schizofrenie, om via een deel over cognitieve, perceptuele en talige vervreemding te eindigen met een bespreking van psychoses.

De ‘Stimmung’ Bij lichte vormen van schizofrenie is er sprake van een beginnend gevoel van vervreemding: de wereld verliest haar vertrouwdheid, wat gepaard gaat met een gevoel dat kan wisselen tussen angst en gefascineerde opwinding. [7] De werkelijkheid is vervormd: het bekende voelt vreemd, terwijl het onbekende vertrouwd kan aanvoelen. Soms is er sprake van een gevoel van fragmentatie waarbij alles uit losse en onsamenhangende onderdelen lijkt te bestaan, zoals bij een patiënte die haar moeder zag als tanden, neus, ogen, etc. in plaats van als een persoon. [8] In de psychiatrie wordt voor deze gemoedstoestand wel het (aan Nietzsche ontleende) begrip Stimmung gebruikt. Er is nog geen sprake van wanen, hallucinaties of psychoses, maar van een toestand van onrust die een voorbode van ernstigere verschijnselen kan vormen. Een persoon in de Stimmung heeft veelal de neiging om zich, in een reactie op de als vreemd en vaak ook beklemmend ervaren wereld, volledig in zichzelf terug te trekken en sociale contacten uit de weg te gaan. Tegelijk kan een dergelijke terugtrekking weer haar eigen problemen met zich meebrengen in de vorm van een vervreemding van jezelf. Wie maar lang genoeg in de spiegel staart, bekruipt op een bepaald moment het gevoel naar een vreemde te kijken. Kenmerkend voor de Stimmung is dat bewustzijn en reflexiviteit niet verlaagd, maar juist verhoogd zijn: de persoon zit in zijn hoofd.

Hier vinden we een eerste parallel met de modernistische waarnemer: denk bijvoorbeeld aan Roquentin, de hoofdpersoon in Jean-Paul Sartres roman La Nausée, die de normale werkelijkheid voelt afbrokkelen in de beroemde passage waarin hij naar een eikenboom staart; aan de vreemde en beklemmende atmosfeer in de schilderijen van Giorgio de Chirico; of aan de vervreemding bij de personages in de romans van Samuel Beckett, zoals de verwarde en in zichzelf gekeerde Watt die lijdt aan slapeloosheid, hyperbewustzijn en een extreme aandacht voor details. Een hyperreflexiviteit in combinatie met het terugtrekken uit de wereld vinden we bijvoorbeeld ook bij Franz Kafka, waar K. als een vreemde in een absurde wereld ronddwaalt; bij Viriginia Woolf, waar in romans als The Waves en To the Lighthouse sprake is van een extreme innerlijkheid; of bij Charles Baudelaire, die op zijn spleen reageert met een afstandelijk en superieur estheticisme.

Perceptuele, cognitieve en talige verstoringen Na de Stimmung bespreekt Sass in een aantal hoofdstukken enkele kenmerken van zwaardere vormen van schizofrenie. [9] Daarbij richt hij zich vooral op perceptuele, cognitieve en talige verstoringen. Wat daarbij opvalt is de grote heterogeniteit van deze verstoringen, die kunnen variëren van een overabstracte, conceptuele manier van reageren tot juist een overmatige gerichtheid op concrete details. Een voorbeeld daarvan vormen de categoriseringsvragen waarbij een patiënt het verband tussen voorwerpen moet aangeven. Een schizofrene persoon kan dan bijvoorbeeld van een tafel en stoel zeggen dat het ‘objecten in het universum’ zijn (een heel abstract antwoord), in plaats van dat het meubels zijn; of van een schroevendraaier, tang en hamer dat het ‘zilverkleurige objecten’ zijn (een overdreven concreet antwoord), in plaats van dat het gereedschap is. Een ander voorbeeld vormt de rorschachtest, waarin een schizofrene patiënt een zeer abstract antwoord kan geven, zoals dat hij in een bepaalde inktvlek ‘moederschap’ of ‘democratie’ verbeeld ziet; of juist een heel concreet en gedetailleerd antwoord zoals ‘dikke niet-verbonden druppels aan de rand van de tekening (...) het verschil in kleur van de druppels kan er op duiden dat de inkt geleidelijk opraakte’. [10]

Heel interessant is ook wat Sass schrijft over de schizofrene omgang met taal. Opnieuw herkennen we de combinatie van het heel concrete (de materialiteit en klank) en het heel abstracte (concepten, associaties). Beide zien we in het antwoord van een patiënt die werd gevraagd naar de kleur van een schip op een afbeelding: ‘Looks like clay. Sounds like gray. Take you on a roll in the hay. Hay day. May day. Help.’ [11] Kenmerkend voor het taalgebruik van de schizofrene persoon is dat er vaak sprake lijkt te zijn van een privétaal waarbij de normale communicatieve, sociale functie van taal naar de achtergrond verdwijnt. Dit andere taalgebruik heeft echter volgens Sass niets te maken met regressie of hersenbeschadiging (de traditionele verklaringen): veeleer is er sprake van een soort ‘stijlverschil’. Het taalgebruik van de schizofrene persoon is vaak complex en zelfreflexief, rijk aan betekenissen, abstracties en associaties en op een bepaalde manier erg speels.

Ook hier ziet Sass tal van parallellen met het (post)modernisme. In de ‘concrete poëzie’ van dichters als Stéphane Mallarmé en Paul van Ostaijen (denk aan het bekende gedicht Boem paukeslag) is er bijzondere aandacht voor de materialiteit van de taal en haar klanken en grafische vormen. Het is de taal zélf waar het om draait, niet langer de gedachten en gevoelens van de dichter. Het fenomeen van privéwerelden waarin taal zijn normale communicatieve functie verliest, is duidelijk herkenbaar bij modernistische dichters als T.S. Eliot, Rainer Maria Rilke en Arthur Rimbaud, die nieuwe talen en eigen uitdrukkingsvormen zoeken.

Een andere ontwikkeling waarin het extreem concrete en extreem abstracte gecombineerd worden, zien we bij de eindeloze taalspelletjes en associaties in het postmodernisme. Denk bijvoorbeeld aan Jacques Derrida, die de materialiteit en ambiguïteit van de talige betekenaars benadrukt en in wiens taalfilosofie elke intentie tot betekenisgeving prompt gerelativeerd en geproblematiseerd wordt en ieder woord letterlijk of figuurlijk tussen aanhalingstekens wordt geplaatst. Taal verwijst naar taal en niet naar een externe werkelijkheid. Net als bij schizofrenie is hier sprake van een afkering van de sociale en communicatieve functie van taal. Sass trekt een parallel tussen de hyperreflexieve ‘waanzin’ van de schizofrenie en die van deconstructiefilosofie: beide verliezen zich in hun hersenspinsels en raken het contact met de dagelijkse realiteit kwijt. [12]

Psychoses In de laatste hoofdstukken bespreekt Sass de zwaarste vormen van schizofrenie: die waarbij er sprake is van psychotisch gedrag. [13] Een psychose wordt gekenmerkt door een extreme vervreemding van de werkelijkheid en de eigen identiteit. Een psychotische persoon kan volkomen bizarre dingen ervaren en zeggen, zoals ‘de gedachten worden uit mijn hoofd gezogen door een frenologische stofzuiger’ of ‘240 Benedictijner monniken sprongen plots in mijn hoofd om daar ten onder te gaan’. [14] In een psychose worden handelingen, wil en bewustzijn vaak ervaren als aangedreven van buitenaf. Patiënten spreken bijvoorbeeld over een ‘influencing machine’ die hen bestuurt of zeggen dat ze zich voelen ‘als een personage in een cartoon’, of ze horen stemmen die becommentariëren wat ze doen en opdrachten geven. [15] Maar ook hier is de situatie vol paradoxen. Want naast het gevoel machteloos te zijn en bestuurd te worden, kan er evengoed sprake zijn van megalomane gevoelens van almacht: een patiënt beweerde dat hij het weer kon besturen met zijn gedachten en een ander ondertekende zijn brieven met ‘Het Begin en Einde van de Wereld’. [16] Vaak verdwijnt de grens tussen zelf en wereld. Een patiënt zei bijvoorbeeld dat hij niet meer wist hoeveel van zijn geest nog in hemzelf was en hoeveel in anderen, en een ander weigerde om zijn pillen te slikken omdat ze dan de hele wereld zou doorslikken. [17]

Van oudsher wordt een psychose als de irrationele uiting van een zieke geest gezien, waarbij die ziekte is veroorzaakt door een breindefect of door een regressie naar een infantiele toestand. Volgens Sass daarentegen is een psychose geen manifestatie van een tekort aan rationaliteit en zelfbewustzijn, maar juist van een teveel daarvan: een hyperreflexief zelfbewustzijn en een obsessieve introspectie hebben uiteindelijk zodanig vervreemdend gewerkt dat er een psychotische toestand is ontstaan. Sass noemt het zelfbewustzijn van de schizofrene persoon ‘panoptisch’: men voelt zich voortdurend (als in een panopticon) bekeken en beoordeeld, zowel door anderen als door zichzelf, en probeert zich daartoe te verhouden. [18] Veel vreemde gedragingen van de psychotische patiënt kunnen volgens Sass worden gezien als pogingen om te ontsnappen aan het onophoudelijk oordelende oog. [19]

Zeer verrassend is nu de parallel die Sass trekt tussen de ontwikkeling van de westerse moderne en postmoderne filosofie en die van een schizofrene persoon. In de westerse wereld heeft vanaf René Descartes via Immanuel Kant en Johann Gottlieb Fichte tot de twintigste eeuw een wending naar binnen plaatsgevonden, een wending die het cogito en de subjectiviteit van de mens centraal stelde. Het westerse zelf werd dat van het autonome subject. Deze ontwikkeling werd dus gekenmerkt door een steeds prominentere positie voor het ik en een steeds grotere nadruk op het denken en bewustzijn. Totdat dit subjectdenken zichzelf uiteindelijk opblies in de postmoderne filosofie, die alles dat met het zelf te maken heeft problematiseerde en relativeerde: de eigen identiteit, het onderscheid tussen het subjectieve en objectieve, de rol van taal als medium om gedeelde betekenissen uit te wisselen, enzovoorts. Volgens Sass doet deze ontwikkeling sterk denken aan die van een schizofrene persoon die via de Stimmung en de fase van perceptuele en talige verstoringen uiteindelijk in een psychose terechtkomt. Niet voor niets sprak Bertrand Russell over de filosofie van Fichte als ‘a kind of insanity’ en is de postmoderne filosofie door sommigen als ‘fashionable nonsense’ getypeerd. [20]

De cultuurkritiek van Sass

En zo blijkt het betoog van Sass uit te monden in een cultuurkritiek. Het moderne westerse denken wordt gekenmerkt door de suprematie van het hyperreflexieve, hyperbewuste subject. Deze suprematie vinden we in de modernistische filosofie, kunst en literatuur. Vooral in de postmoderne filosofie slaat het hyperreflexieve volgens Sass op hol en verdwijnt daardoor het houvast van een worteling in het dagelijkse bestaan en de leefwereld. De (post)modernistische filosofie en kunsten tonen de gevaren van hyperreflexiviteit en overbewustzijn: een vervreemding van het eigen lichaam, de eigen identiteit en de wereld.

Sass noemt ook de reactie die er is geweest op het moderne subjectdenken: bijvoorbeeld in de romantiek, die het belang benadrukte van een worteling in de natuur en de gemeenschap en streefde naar een integratie van het subject en diens leefwereld. Nietzsche waarschuwde op zijn eigen onnavolgbare manier voor het (persoonlijke en culturele) nihilisme dat voortkomt uit een te ver doorgedreven subjectivisme. Volgens Sass bevat met name het postromantische denken een vruchtbare kritiek op het overbewustzijn. In de filosofie van Martin Heidegger, Ludwig Wittgenstein en Maurice Merleau-Ponty is subjectiviteit niet iets dat op zichzelf kan bestaan, als cogito of transcendentaal ego: iedere subjectiviteit is ten dele niet-reflexief of prereflexief van aard en geworteld in de leefwereld. Deze filosofen zien het overbewuste en hyperreflexieve moderne subject als een perversie van het authentieke menselijke bestaan.

Adolf Wölfli General view of the island Neveranger, 1911.

Monument van de medical humanities

Sass’ verkenning van de schizofrene gedragswereld vormt een buitengewoon prikkelend pleidooi voor de waarde van een fenomenologische benadering van psychiatrische aandoeningen. In die zin sluit het boek zeer goed aan bij de recente aanbevelingen om meer aandacht te geven aan de existentiële dimensie van psychiatrische ziektebeelden. Die aanbevelingen zijn zowel afkomstig van psychiaters als van onderzoekers en filosofen die zich bezig houden met theoretische modellen voor de psychiatrie. Psychiatrische ziekten, stellen zij, hebben niet alleen te maken met biochemische processen in de hersenen, maar ook met de manier waarop mensen zich verhouden tot zichzelf, hun ervaringen en hun omgeving. Psychiaters als Jim van Os, Damiaan Denys en Paul Verhaeghe hebben daarom in hun werk gepleit voor een meer patiëntgerichte benadering van depressie. [21] Waar de biologische psychiatrie zich kenmerkt door een gerichtheid op het menselijke lichaam als object en streeft naar het verklaren van ziekteprocessen, richt de fenomenologie zich op de subjectieve beleving door de patiënt van diens ziekte en daarmee op een beter begrijpen van wat het is om bijvoorbeeld depressief of psychotisch te zijn. Het gaat er daarbij niet om dat de ene benadering beter zou zijn dan de andere: de twee kunnen elkaar juist bij uitstek aanvullen. Belangrijk in dit verband is bijvoorbeeld het werk van Matthew Ratcliffe, die in boeken als Feelings of Being (2008) en Experiences of Depression (2014) op fenomenologische wijze onderzoekt wat het voor patiënten betekent om te leven met een psychiatrisch ziektebeeld.

Jenny Slatman heeft in haar inaugurele rede gewezen op het belang van de medical humanities. Dit interdisciplinaire vakgebied heeft als uitgangspunt dat naast de empirische natuurwetenschappen ook de literatuur en kunsten en geesteswetenschappelijke disciplines als filosofie en cultuurwetenschappen een rol kunnen spelen bij het denken over ziekte en gezondheid. [22] Madness and Modernism is een zeer aansprekend voorbeeld van deze medical humanities: het wijst op het belang van de fenomenologie voor een beter begrip van psychiatrische ziektebeelden en herinnert ons aan de rol die de literatuur en de kunsten daarbij kunnen spelen. Het is een hoogst origineel en fascinerend boek over een raadselachtig en intrigerend onderwerp, en bovendien van grote waarde in een tijd waarin een eenzijdige neurowetenschappelijke benadering het denken over de verwarde mens domineert.

Voetnoten

[1] De term ‘leefwereld’ (Lebenswelt) is in de filosofie op verschillende manieren ingevuld; in dit artikel verwijs ik ermee naar de sociale, culturele en andere omgevingsfactoren die de context van een menselijk leven vormen. [2] Louis Sass, Madness and Modernism: Insanity in the Light of Modern Art, Literature, and Thought (Oxford 2017). [3] De DSM-5 is de huidige versie van het diagnostische en statistische handboek voor psychische stoornissen dat in de meeste landen als standaard in de psychiatrische diagnostiek wordt gebruikt. Hoogleraar psychiatrie Jim van Os wijst er op dat de term schizofrenie ongelukkig is vanwege de associatie met een ‘gespleten persoonlijkheid’ en heeft bepleit om de naam te veranderen in ‘psychosespectrumstoornis’. In dit artikel volg ik Sass, die de term schizofrenie gebruikt. [4] Sass staat even stil bij terminologische gevoeligheden (Madness and Modernism, xvii). Zo proberen velen tegenwoordig een omschrijving als ‘schizofrene persoon’ te vermijden, omdat dit stigmatiserend zou zijn; men geeft dan de voorkeur aan ‘persoon met schizofrenie’. Het nadeel van dat laatste is echter dat het suggereert dat schizofrenie iets is dat je hebt en dat ook weer kan verdwijnen, terwijl het ook (zeker in lichte vormen) gezien kan worden als iets dat bij je eigen specifieke persoonlijkheid hoort. Juist de formulering ‘persoon met schizofrenie’ zou dus iets neerbuigends kunnen hebben, alsof je met een bepaald defect zit waar je eigenlijk vanaf moet zien te komen. [5] Deze voorbeelden worden besproken op ibidem, p. 2, 174 en 224. Ik gebruik in dit artikel het woord ‘hij’ om de schizofrene patiënt aan te duiden, omdat schizofrenie naar verhouding vaker voorkomt onder mannen (circa 6 op de 10 gevallen). Het spreekt echter vanzelf dat overal waar ‘hij’ staat ook ‘zij’ gelezen kan worden. [6] Ibidem, 51. [7] Ibidem, hoofdstuk 2 en 3 (25-85). [8] Ibidem, 30. [9] Ibidem, hoofdstuk 4 t/m 6 (89-169). [10] Ibidem, 96, 95, 131. [11] Ibidem, 144. [12] Ibidem, 164. [13] Ibidem, hoofdstuk 7 t/m 10 (173-268). [14] Ibidem, 174, 204. [15] Ibidem, 177, 192, 189. [16] Ibidem, 224. [17] Ibidem, 175, 224. [18] Het panopticon is een in 1791 door de Engelse filosoof Jeremy Bentham beschreven gebouw waarvan alle kamers via een raam met een centrale hal zijn verbonden. Iedereen kan vanuit die hal in de gaten gehouden worden, maar niemand weet of en wanneer hij daadwerkelijk wordt bekeken. In Discipline, toezicht en straf (1975) gebruikt de filosoof Michel Foucault het panopticon als een metafoor voor disciplineringsmechanismen. [19] Interessant in dit verband is vooral hoofdstuk 8, ‘Memoirs of a Nervous Illness’ (Sass, Madness and Modernism, 199-220), een bespreking van de autobiografie van Daniel Paul Schreber, een hoogintelligente man die als rechter werkte voordat hij na een reeks van ernstige psychosen langdurig opgenomen werd en daar een boek over schreef. In de interpretatie door Sass van Schrebers boek staat de metafoor van het panopticon centraal. [20] In Fashionable Nonsense (1997) van Alan Sokal and Jean Bricmont. [21] Voorbeelden zijn Jim van Os, De DSM-5 voorbij! Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe ggz (Houten 2017) en Paul Verhaeghe Intimiteit (Amsterdam en Antwerpen 2018). Zie verder bijvoorbeeld ook Damiaan Denys, ‘Keert nieuwe psychiatrie terug naar de betekenis?’, Tijdschrift voor Psychiatrie 60.9 (2018) 619-626. [22] Jenny Slatman, ‘De geest voorbij: Geesteswetenschappelijke reflecties op gezondheidszorg’, Waardenwerk 73 (2018) 84-98.

Over de auteurs

Jeroen Vanheste werkt bij de Open Universiteit als docent filosofie. Zijn onderzoeksgebieden zijn de cultuurfilosofie en de relaties tussen filosofie en literatuur. Hij schreef o.a. Denkende romans (over de manier waarop romans kunnen bijdragen aan het filosofische denken) en het onlangs verschenen Animo (over spel als levenskunst).

© 2021 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU |Voor het colofon zie Over LOCUS |Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl