Historisch spektakel Nagespeelde geschiedenis als belevenis voor een breed publiek

Frank Inklaar

Publicatiedatum: 3 juli 2020

Introductie

The 19th century of Charles Dickens relives in the picturesque Bergkwartier in Deventer on the 15th and 16th of December 2018. More than 950 characters from the famous books of Dickens will revive. Oliver Twist, Scrooge, Marley and Mr. Pickwick, they are all there. Vagabonds are begging, thieves are stealing. You smell the punch, puffed potatoes and roasted chestnuts. Wealthy ladies and gentlemen with top hats parade in the streets. Christmas Carol Singers go from door to door. The scenery of the festival consists of historical buildings and houses, Christmas trees and thousands of little lights. Not only in the street, but also behind the windows, in the houses and in the little shops and galleries the romantic time of Dickens will revive. [14]

Dit citaat is afkomstig van de (opgeheven) website van de 37e Internationale Hanzedagen die op 15 tot en met 18 juni 2017 in Kampen werden gehouden. Het evenement met een duidelijke verwijzing naar het verleden trok naar schatting 225.000 bezoekers. [2] Het is één voorbeeld van een wijdverbreid verschijnsel waarin nagespeelde geschiedenis wordt ingezet om een breed publiek een mooie belevenis te geven. Over waarom dit zo populair is, welke vormen het kan aannemen en hoe deze omgang met geschiedenis te duiden gaat dit artikel.

Historische cultuur

Geschiedenis wordt op veel meer manieren en al veel langer ingezet om publiek te vermaken, of om het in modernere bewoordingen te zeggen, om belevenissen te creëren. Denk aan de historische roman, de historische kostuumfilm, of een game met een historische setting. Geschiedenis blijkt een goed middel om publiek te trekken. Dat is ook opgemerkt door stadsmarketeers. Een roemrucht verleden kleurt het imago van een stad positief. Amsterdam heeft de Gouden Eeuw, Nijmegen was de oudste stad van Nederland voordat het ook groen, sportief en cultureel werd [3] en Brielle (stad van nu, sfeer van toen) gebruikt de verrassingsactie van de watergeuzen op 1 april 1572. Regio’s doen hetzelfde. Zo profileren negen steden in en rond de IJsselvallei zich met hun glorieuze Hanzeverleden. [4] En ook in het buitenland zijn legio voorbeelden: een belangrijke economische sector als het cultuurhistorisch toerisme drijft erop. Het onderwerp van dit artikel is dus maar een klein onderdeel van een veel groter verschijnsel dat binnen de geschiedwetenschap bestudeerd wordt onder de noemer ‘historische cultuur’, de wijze waarop het brede publiek omgaat met geschiedenis. [5] Hier gaat het alleen over het performatieve gebruik van het verleden. In de afgelopen decennia zijn de begrippen performance en performatief in vele vormen en disciplines gehanteerd. [6] Ik gebruik de term performatief in de specifieke context van de beleveniseconomie, waarover hieronder meer. Performatief gebruik van geschiedenis heeft dan betrekking op dat gebruik van geschiedenis waarin het verleden wordt nagespeeld voor een publiek dat daarmee een belevenis, een memorabele gebeurtenis, krijgt aangeboden. ‘Living history’ en ‘re-enactment’ zijn hiervan de meest treffende voorbeelden. De ambachtslieden op de Zaanse Schans die hun ambacht uitvoeren in traditionele kledij zijn een voorbeeld van living history, terwijl het naspelen van de slag bij Heiligerlee ter gelegenheid van het vierhonderdvijftigjarig jubileum van deze slag in 2018 een voorbeeld van re-enactment is. Grofweg kan re-enactment worden gedefinieerd als het naspelen van een historische gebeurtenis op de historische locatie, terwijl living history meer gericht is op het weergeven van een beeld van een tijd. In de praktijk worden deze termen echter vaak door elkaar gebruikt. [7] Op de praktijk van living history en re-enactment ga ik hieronder uitgebreid in.

Zaanse schans

Beleveniseconomie en Disneyization

Waarom is het naspelen van het verleden populair? Daarvoor moeten we een uitstapje maken naar twee concepten, ‘de beleveniseconomie’ en ‘Disneyization’. [8] In 1999 verscheen het baanbrekende boek The experience economy: Work is a theatre and every business a stage van Joseph Pine en James Gilmore. [9] De auteurs stellen dat de economie in een nieuwe fase is gekomen. De wereld is verzadigd met kwalitatief hoogwaardige goederen en diensten. Bedrijven kunnen zich daarom niet langer onderscheiden, op prijs is nauwelijks te concurreren. Om verder te groeien moet er iets extra’s geboden worden om de consument te binden en dat extra’s ligt volgens de auteurs in de belevenis. Een belevenis is een reeks memorabele gebeurtenissen die – net als in een toneelstuk – door de onderneming wordt geregisseerd met als doel de consument op een persoonlijke manier te betrekken. De belevenis geeft een meerwaarde aan een product of dienst waarvoor de consument met plezier betaalt. Dit idee is intussen alom op wereldschaal in meer of mindere mate doorgedrongen. De barista geeft ons een persoonlijke koffie-ervaring, ons lichaam wordt ondergedompeld in een ‘wellness experience’ en we gaan uit eten voor een smaakbelevenis.

Pine en Gilmore stellen dat belevenissen altijd al de kern van de entertainmentindustrie vormden. Als schoolvoorbeeld voeren zij het Disneyconcern op. En daarmee komen we bij het tweede concept dat relevant is om de populariteit van het historisch spektakel te verklaren: ‘Disneyization’. [10] Dit concept werd ongeveer tegelijkertijd met de ‘ontdekking’ van de beleveniseconomie gelanceerd door Alan Bryman. [11] Bryman verstaat onder Disneyization ‘the process by which the principles of the Disney theme park are coming to dominate more and more sectors of American society as well as the rest of the world’. [12] Er zijn volgens Bryman vier principes van het Disneythemapark die wereldwijd, al of niet gezamenlijk, breed worden toegepast in de samenleving: thematisering, hybride consumptie, merchandising en performatieve arbeid. Bij thematisering gaat het erom dat je product een thema moet hebben, een verhaal moet vertellen. Daarom zijn de winkels in het outletcentrum Batavia Stad, dat sinds 2001 meerdere keren is uitgebreid, uitgevoerd in een zeventiende-eeuwse, VOC-achtige architectuur. Hybride consumptie is het samengaan van verschillende consumptievormen, die in principe niets met elkaar te maken hebben. Dineren in het Rijksmuseum is hier een voorbeeld van. Merchandising is het geheel van consumptiegoederen die getooid worden met een logo, of een copyright van bedrijf of instelling; denk aan de artikelen in de fanshop van Feyenoord. Als een bedrijf of instelling werknemers een theatrale rol laat spelen in de relatie tot de klant is er sprake van performatieve arbeid, zoals de verklede bedienden bij ‘Bourgondische’ maaltijden.

Recreatieve historische performance

Zowel Pine en Gilmore als Bryman zien theatrale vormen, het vertellen en/of spelen van gethematiseerde verhalen en performatieve arbeid als wezenlijk voor de nieuwe beleveniseconomie, c.q. Disneyization. De inhoud van die verhalen, thema’s en performances kan van alles zijn, als het maar een belevenis oplevert die door de consument als uniek, spectaculair of aangenaam wordt ervaren. Een belevenis die in de herinnering blijft hangen, eventueel met behulp van aangeschafte merchandise. Een belevenis die aanzet tot het consumeren van het aangeboden product of dienst, of dat nu een sportschoen is of een museum.

Voor het creëren van belevenissen blijkt geschiedenis met zijn ontelbare verhalen een onuitputtelijke bron. Het verleden is niet alleen buitengewoon bruikbaar door zijn diversiteit, maar ook door zijn veelzijdige toepassing. Het geeft de mogelijkheid om elke sfeer die je wenst te creëren. Vaak appelleert het uitgekozen verleden aan nostalgie. Het publiek wordt een feelgoodgevoel geboden, een associatie met een verleden waarin het leven goed was, met tevreden mensen en zonder grote problemen. Het gepresenteerde verleden is vrijwel altijd gekuist, opgepoetst, gecensureerd en veilig. Logisch, want negatieve aspecten staan het uiteindelijke doel, een belevenis die aanzet tot consumptie van het aangeboden product of dienst, in de weg. En als er al iets dreigends getoond wordt, zoals de bedelaars, pestlijders, dieven en oorlogsgeweld uit het begincitaat, dan zijn die nooit echt gevaarlijk en iedereen weet dat ze er alleen maar zijn voor de ‘fun’. Het is allemaal theater.

Doesburg

Bewerkingen van het verleden worden dus breed in het heden ingezet om een unieke belevenis te bieden. Historische performance als living history en re-enactment is hier een speciale vorm van. Dit past volledig bij het theatrale van de beleveniseconomie en bij een van de kenmerken van Disneyization. Het is onmogelijk om een startpunt van het algemene idee van living history te vinden. Door de eeuwen heen is er altijd een fascinatie geweest om in een andere tijd te kunnen leven, of een historische periode na te doen. Er zijn altijd optochten in historische kledij of tableaux vivants met een historische aankleding geweest. Living history opgevat als het naspelen van het verleden is dus allesbehalve een nieuw verschijnsel. Wel recent is het gebruik ervan in onze beleveniseconomie, waarbij het performatief gebruik van het verleden specifiek bedoeld is om een belevenis te creëren. Dat kan op verschillende manieren. Living history kan voor de performers een vrijetijdsbesteding, een hobby zijn, die verder geen pretenties heeft. Het sociale aspect, in groepsverband iets leuks doen, staat dan voorop. Hobby’s kunnen los of serieus aangepakt worden en ad hoc of goed georganiseerd uitgeoefend worden. Zo zijn de Doesburgers die zich jaarlijks bij de Hanzefeesten in historische kledij hullen alleen tijdens die dagen met living history bezig en er is geen strikte authenticiteitscode voor de gebruikte kleding. [13] Er wordt tijdelijk een sfeer gecreëerd, die een wat vage verwijzing is naar het Hanzeverleden van het stadje. En hoewel Doesburg met gebouwen in Hanze-architectuur een passend decor voor de Hanzefeesten heeft, is het overduidelijk dat het evenement een hedendaags feest is, in een hedendaagse omgeving met Doesburgers die in hun gehistoriseerde kledij een leuke tijd hebben, terwijl de bezoekers een memorabele gebeurtenis krijgen voorgeschoteld, waarvoor men graag de reis naar Doesburg wil maken.

Datzelfde geldt ook voor een wat groter evenement, het Dickens Festijn in Deventer. Op de website wordt een internationaal publiek aangespoord om te komen:

The 19th century of Charles Dickens relives in the picturesque Bergkwartier in Deventer on the 15th and 16th of December 2018. More than 950 characters from the famous books of Dickens will revive. Oliver Twist, Scrooge, Marley and Mr. Pickwick, they are all there. Vagabonds are begging, thieves are stealing. You smell the punch, puffed potatoes and roasted chestnuts. Wealthy ladies and gentlemen with top hats parade in the streets. Christmas Carol Singers go from door to door. The scenery of the festival consists of historical buildings and houses, Christmas trees and thousands of little lights. Not only in the street, but also behind the windows, in the houses and in the little shops and galleries the romantic time of Dickens will revive. [14]

Ook hier gaat het vooral om de creatie van een nostalgische sfeer met een hint naar een Victoriaans Engels verleden. Dat de wijk grotendeels bestaat uit fraai gerestaureerde laatmiddeleeuwse huizen maakt weinig uit. Door hedendaagse elementen, zoals verkeersborden, aan het zicht te onttrekken ontstaat een historisch decor, dat, hoewel niet Engels, noch Victoriaans, toch als authentiek wordt ervaren. Strikter is men met de kleding van de 950 vrijwilligers. Hoewel dit nieuwe kledingstukken zijn, moeten ze wel refereren aan Victoriaanse kledij. Dat dit ook zo waargenomen wordt, blijkt uit het feit dat er zelfs een museum voor deze kledingstukken is geopend. Het mag duidelijk zijn dat de bedelaars en dieven echt lijken, maar dat niet zijn. Berovingen zouden wel realistisch zijn, maar daarmee trek je niet de 125.000 bezoekers uit binnen- en buitenland die dit festijn bezoeken. Daarvoor voldoet een als authentiek ervaren nagespeeld nostalgisch verleden. Voorwaar een succesvolle invulling van de laatste koopzondag voor kerst, waaruit in 1991 het festival is ontstaan. Een soortgelijk nostalgisch verleden is in Groenlo toegevoegd aan een andere vorm van nagespeelde geschiedenis, de re-enactment. De Slag om Grolle [15] is een tweejaarlijks driedaags historisch spektakel waar vorig jaar ruim 25.000 toeschouwers op afkwamen. In dit evenement zijn twee soorten nagespeelde geschiedenis te zien. Nieuw was de participatie van de bewoners van Groenlo, die net als in Doesburg en Deventer een paar dagen verkleed gingen om het centrum van het plaatsje een historische sfeer te geven. Of, volgens het programma:

Al wandelend door een geschiedenisboek, dat is wat je te wachten staat bij het betreden van de historische binnenstad. De Grolse (binnenstad)bewoners halen letterlijk alles uit de kast om tijdens het evenement zo goed mogelijk en historisch verantwoord voor de dag te komen. In combinatie met de diverse handelaren, ambachten, entertainment en 17e-eeuwse horeca ervaart en proeft u hoe een dag uit het leven van ‘burgers en buitenlui’ er in 1627 uitzag.

Dit is een fraai voorbeeld van inzet van geschiedenis om een consumerend publiek te trekken. Opvallend is de opmerking dat alles historisch verantwoord moet zijn. Dit heeft wellicht te maken met het andere, oudere onderdeel van de Slag om Grolle, het daadwerkelijk naspelen van het driedaagse beleg en inname van de stad door Frederik Hendrik in 1627. Maar liefst 1500 re-enactors uit binnen- en buitenland spelen de historische gebeurtenis na. En voor hen is een vage associatie met het verleden niet genoeg. Deze re-enactors opereren in clubverband. Het naspelen van het verleden is een hobby, maar wel een zeer serieuze. Er wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar kleding, gewoonten, huisvesting tijdens campagnes en de slag zelf. Alles moet zo authentiek en historisch verantwoord zijn als maar mogelijk is, zonder concessies. Van de 1500 re-enactors in Groenlo verdeeld over 70 clubs uit zestien landen kwamen er slechts twaalf clubs uit Nederland. Re-enacting is in het buitenland veel populairder. In de VS wordt het aantal Civil War-re-enactors geschat op 50.000, terwijl Groot-Brittannië ongeveer 20.000 spelers telt. Daar steken de geschatte 1000-1500 georganiseerde Nederlandse re-enactors schril bij af. [16] Toch is re-enactment ook in Nederland een serieuze zaak, met verenigingen, een landelijk platform (LPLG), tijdschriften en websites. [17] De Slag om Grolle is een type evenement waar re-enactment vaak wordt toegepast. Het gaat bij re-enactment niet om sfeerimpressies uit het verleden, zoals bij living history, maar om het zo minutieus mogelijk naspelen van historische gebeurtenissen waarbij veldslagen heel populair zijn. Tegelijkertijd wordt ook aandacht besteed aan kampementen en de levenswijze van de strijdende partijen. Dit facet sluit aan bij activiteiten van andere re-enactmentclubs die juist het leven in een bepaalde periode willen naspelen. Zo zijn er bijvoorbeeld de Ridders van de IJssel, die hun ridderschap op de Internationale Hanzedagen lieten zien, [18] of de re-enactmentgroep Pax Romana, [19] die het Romeinse leven naspeelt.

Grolle

Educatieve en informatieve historische performance

Tot nu toe zijn alleen vormen van historisch spel als vrijetijdsbesteding de revue gepasseerd, hoe serieus er ook wordt geacteerd en hoeveel publiek het ook trekt. Er is echter ook een educatieve toepassing. Sommige re-enactors zullen hun activiteiten als een persoonlijke educatie omschrijven. Zij willen weten hoe het voelt om als zeventiende-eeuwse soldaat een kilometerslange mars te maken. Maar er zijn ook heel serieuze educatieve varianten. Zo worden in de experimentele archeologie hypothesen door middel van re-enactment aan de praktijk getoetst. Deze vorm van living history is echter weinig spectaculair en buiten beeld van het grote publiek.

Living history is ook te vinden in musea. Het idee hierachter is vaak dat zo een breder publiek kan worden aangesproken. Daarbij biedt historische performance de mogelijkheid om informatie op een aantrekkelijke manier over te brengen. Per slot van rekening moet een belevenis, dus ook een historische performance, een memorabele gebeurtenis zijn die je ook na je bezoek blijft herinneren. In het buitenland bestaan musea die volledig op living history draaien, zoals Plimoth Plantation [20] in de VS. Nederland kent musea, zoals het Openluchtmuseum, het Zuiderzeemuseum of het Scheepvaartmuseum, waar verklede personen communiceren met bezoekers. Dat kunnen ambachtslieden zijn die hun ambacht uitleggen, maar ook ‘acteurs’ die de bezoekers als het ware in de sfeer brengen van de historische periode of gebeurtenis waarvan artefacten zijn tentoongesteld. Soms zijn deze spelers vrijwilligers, soms zijn het vaste medewerkers. In alle gevallen spelen ze hun rol in interactie met het publiek en zorgen ze voor een extra factor in de totale belevenis, een versterking van het gevoel van authenticiteit, een factor die het bezoek nog gedenkwaardiger maakt. Bovendien leer je er ook nog wat van. Het Archeon gaat hierin het verst door consequent te werken met ‘archeotolken’ om het publiek te informeren.

Openluchtmuseum

Authenticiteit

Historische enscenering alludeert op authenticiteit en is daarom zo populair. Goede verankering in een nostalgische historische sfeer trekt veel mensen. History sells, dat hebben stadsmarketeers en organisatoren van evenementen goed in de gaten. Nagespeeld historisch spektakel boeit een groot publiek, waarbij direct moet worden opgemerkt dat het gepresenteerde verleden een aangepast verleden is, gekuist, opgepoetst, gecensureerd en veilig, want de belevenis moet wel plezierig blijven. Authenticiteit heeft zo zijn grenzen. In musea verhoogt living history de beleving, waardoor bezoek waarschijnlijk aantrekkelijker wordt voor een breder publiek. Het is zeker door de zweem van authenticiteit een goed instrument om informatie over te brengen. Andersom is authenticiteit van levensbelang voor het succes van de historische enscenering. Re-enactors vinden het op zichzelf belangrijk om maximaal historisch verantwoord te handelen, hoewel een nagespeelde veldslag met publiek natuurlijk nooit de veldslag zelf zal zijn. Het publiek wil op zijn minst het gevoel hebben dat het gebodene authentiek is, maar is daar meestal heel ruimhartig in. Zoals Pine en Gilmore al stellen: authenticiteit is gepercipieerde authenticiteit. [21]

Op zich is er natuurlijk niets op tegen dat zoveel mensen door historische performances een mooie belevenis krijgen. Belangstelling voor geschiedenis kan nooit kwaad. Er zit echter wel een randje aan al dit plezier. Uit de aard van een belevenis blijven de gepresenteerde beelden hangen bij het publiek. Maar deze beelden zijn, hoewel gepresenteerd als ‘authentiek’, altijd ontdaan van de onaangename elementen in het leven waardoor een vertekend beeld van het verleden wordt overgebracht. Het verleden is niet een nostalgisch walhalla waarin niets vervelends gebeurt en iedereen gelukkig is en al helemaal niet per definitie beter dan het heden waarin er wél een compleet leven is. Juist dit gebrek aan historisch besef doet de professionele historicus enigszins meewarig naar historische performance kijken. Maar dat is voor de liefhebbers van historisch spektakel geheel onbelangrijk.

Voetnoten

[1] Frank Inklaar, ‘De Hanze nu. Van historische periode tot marketinginstrument’, Overijsselse Historische Bijdragen 132 (2017) 104. [2] ‘Hanzedagen trokken 225.000 bezoekers’, De Stentor, 20-6-17. [3] De Nijmeegse hoogleraar regio- en citymarketing Hospers meldde in 2011 dat deze verbreding niet goed zal werken. 'Citymarketing Nijmegen werkt niet', De Gelderlander, 28-11-2011. [4] Inklaar, ‘De Hanze nu’, 93-107, 101-102. [5] Zie Kees Ribbens, Een eigentijds verleden. Alledaagse historische cultuur in Nederland 1945-2000 (Hilversum 2002) en Peter Rietbergen, Clio’s stiefzusters. Verledenverbeeldingen voorbij de geschiedwetenschap (Nijmegen 2015). [6] De term wordt onder meer gebruikt in de cultuurwetenschappen, in de taalfilosofie en in de wetenschap- en technologiestudies. Voor een overzicht zie Havens, H. I. J. W. (2015). Theater en het performatief spectrum: transities in het contemporaine theater van de Lage Landen (Maastricht 2015) 49-51. [7] Arjen Lubbers, What’s history if you can’t bend it a bit? De behoefte aan een hedendaags verleden (Hilvarenbeek 2016) Masterscriptie Open Universiteit, 28-29. [8] Voor een wat meer uitgebreide uitleg van deze concepten zie Frank Inklaar, ‘Belevenissen in een panopticum van onbezorgd vertier. Veiligheid en controle bij de stedelijke evenementen Sail Kampen en het Dickens Festijn in Deventer’, in: J.W. Sap, E. Kolthoff, ed., De veilige stad als collectief doel (Nijmegen 2019) 91-107, 91-96. [9] B. Joseph Pine II, James H. Gilmore, The experience economy: Work is a theatre and every business a stage (Boston 1999). Een voorafgaand artikel over hetzelfde onderwerp verscheen in 1998: B. Joseph Pine II, James H. Gilmore, ‘Welcome to the experience economy’, Harvard Business Review (juli-augustus 1998) 97-105. Een tweede, geüpdatete editie van het boek verscheen in 2011 in Boston. [10] Disneyization moet niet verward worden met Disneyfication. Disneyization is de min of meer neutrale beschrijving van een proces, Disneyfication is vooral de negatieve reactie op de commerciële versimpeling die optreedt zodra het Disneyconcern zich meester maakt van culturele uitingen, bijvoorbeeld een sprookje. Zie hiervoor Alan Bryman, The Disneyization of society (London etc. 2004). [11] Bryman introduceerde de term in een artikel in 1999: Alan Bryman, ‘The Disneyization of society’, The Sociological Review, 47.1 (1999) 25-47. [12] Bryman, ‘The Disneyization’, 26. [13] Zie www.doesburgsehanzefeesten.nl. [14] Inklaar, ‘Belevenissen’, 104. [15] Voor nadere informatie, zie de website www.slagomgrolle.nl. [16] Cijfers uit Lubbers, What’s history, 29-30. [17] Zie voor eerste gegevens ibidem, 29-30. [18] Zie Inklaar, ‘De Hanze nu’, 105. [19] Zie Lubbers, What’s history, 30-31, 50-54. [20] Zie www.plimoth.org. [21] James H. Gilmore, B. Joseph Pine II, Authenticity: What consumers really want (Boston 2007) 92-94.

Over de auteur

Frank Inklaar is historicus en universitair docent aan de opleiding Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Zijn onderzoek spitst zich toe op Amerikanisering, geschiedenis van de vrijetijd en uitingen van de beleveniseconomie.

© 2020 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU |Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl