Terug tot Ina Damman: Simon Vestdijk over de kracht van de verbeelding

Michel Krott

Publicatiedatum: 10 september 2020

Het werk van Simon Vestdijk is in Nederland onverminderd populair. Zo is onlangs de roman Terug tot Ina Damman, het derde en bekendste deel van de achtdelige Anton Wachter-serie, opnieuw uitgebracht. [1] In dit boek volgen wij Anton Wachter als leerling aan de HBS te Lahringen. Anton ontwikkelt in zijn tweede schooljaar een platonische liefde voor Ina Damman, een meisje uit Driehuizen. De ondertitel van de roman luidt dan ook ‘de geschiedenis van een jeugdliefde’. In het voorwoord stelt Sylvia Witteman echter dat het boek niet over liefde gaat, maar over een obsessie. Ook Ronald Ohlsen voert in een recensie aan dat het boek meer over angst gaat dan over liefde. [2]

Hoewel deze gezichtspunten zeker belangwekkend zijn, mag de rol die de notie ‘liefde’ in de roman speelt niet miskend worden. Het gaat daarbij niet om een in de praktijk doorleefde liefde, maar om een geïdealiseerde liefde, die vooral in Antons verbeelding gestalte krijgt. De vluchtige momenten die Anton met Ina doorbrengt – hij brengt haar dagelijks naar het station – hebben in zijn beleving namelijk een buitengewone kracht, en een schoolreis die hem in de gelegenheid stelt om enkele gesprekken met haar te voeren krijgt zelfs een ‘schier mythologische betekenis’. De wandeling naar het station voert hem meermaals naar hogere sferen: ‘als gedragen liep hij naast haar, alles binnen in hem in fijne trillingen, zoals lucht boven een zonbeschenen grasveld, ondanks zijn onbewogen gedrag’. Door Antons onbewogen gedrag merkt Ina overigens niets van zijn hooggestemde gevoel. Anton is zich hiervan sterk bewust, maar hij voelt zich niet bij machte er iets aan te veranderen:

‘Hoe graag zou hij haar één keer hebben willen tonen hoe anders de werkelijkheid was, – de werkelijkheid in hemzelf, en die andere, geduchtere werkelijkheid in Ina Damman, die ook hém verborgen bleef, – maar hij wist niet, hoe hij dat aan moest leggen, hij kende de bijpassende woorden niet […]’.

In de praktijk getuigt Antons optreden van een frappante onhandigheid: wanneer Ina hem, als hij postzegels moet uitdelen tijdens de schoolreis, plotseling bij zijn voornaam noemt raakt hij bijvoorbeeld zo in verwarring dat hij alles uit handen laat vallen, waardoor Ina geen postzegel krijgt. Kennelijk is Anton niet in staat om zijn liefde voor Ina om te zetten in affectieve handelingen; ook van dit ‘onvermogen om zich flink te tonen’, van zijn stijfheid en krampachtigheid, is hij zich sterk bewust. Bovendien is het gevoel niet wederzijds, want Ina klaagt er tegenover haar vriendinnen over dat hij een ‘reuzevervelende’ jongen is. Desondanks wordt Antons geestelijke wereld bijna volledig beheerst door zijn gevoelens voor Ina. Na de schoolreis, die op een teleurstelling is uitgelopen, denkt hij zelfs nog dat Ina en hij voor elkaar zijn voorbestemd: ‘het was het noodlot’. Uiteindelijk neemt hij noodgedwongen afstand van haar. Toch gelooft Anton dat zijn geïdealiseerde liefde sterker of waardevoller is dan een liefde in vlees en bloed:

‘En dat niet alleen: duidelijker dan ooit voelde hij nu, dat ook Ina Damman zelf er alleen maar op verminderen kon, als hij haar weer in werkelijkheid zou benaderen. […] maar was dat niet tevens de waarborg, dat ze altijd voor hem blijven zou wat ze vanaf het begin voor hem geweest was: een leegte misschien, maar een leegte die hij zelf moest vullen, steeds weer opnieuw, en met een liefde die niet meer geëvenaard kon worden door een werkelijk samenzijn of een werkelijke verstandhouding?’

In feite fungeert deze gedachte als conclusie voor Anton: hij berust in zijn toestand en vindt er zelfs een bepaald geluk in. Antons houding past in de traditie van het filosofisch idealisme, waarop Vestdijk zich in zijn roman baseert. Volgens het idealisme is het menselijke bewustzijn de meest fundamentele werkelijkheid. Hiermee zet het idealisme zich af tegen het realisme, dat uitgaat van het bestaan van – en het primaat van – een werkelijkheid buiten ons denken. In Denkende romans laat Jeroen Vanheste overtuigend zien dat het filosofisch idealisme een belangrijk thema is in het werk van Vestdijk. Het primaat van de verbeelding keert in dat werk namelijk steeds weer terug. [3] Ook in de onderhavige roman is dat volgens Vanheste het geval: Anton beseft dat de idee, de droom en het verlangen mooier zijn dan de werkelijkheid buiten zijn denken, en dat zij daarom de voorkeur hebben boven een toenadering tot de geliefde. Belangrijker of waardevoller is daarom het beleven van de liefde in zijn eigen innerlijke wereld. Op deze wijze kan bovendien het beeld van de geliefde en van de liefde nog verfraaid worden, in een proces dat door Stendhal ‘kristallisatie’ is genoemd. Ohlsen komt tot een vergelijkbare slotsom: de ontgoocheling houdt voor Anton tevens een overwinning in, omdat de geïdealiseerde liefde hem een wereld biedt waarin hij niet langer in de greep is van zijn angsten.

Foto: Myriam Zilles

Kortom, Vestdijk schetst in de roman een idealistisch perspectief, waarin een eenzijdige, louter geestelijk beleefde liefde toch, of zelfs bij uitstek, een hoog werkelijkheidsgehalte heeft. Met andere woorden, de gedachtewereld van zijn hoofdpersoon is minstens even reëel als de tastbare werkelijkheid daarbuiten. Verder suggereert hij dat de geïdealiseerde liefde te verkiezen is boven de verwezenlijking ervan in de praktijk. Natuurlijk kan men zich afvragen of een dergelijke liefde, die niet in de wereld doorleefd wordt maar louter in de geest, en die in feite gebaseerd is op een eindeloze verwachting, niet beter als een kunstmatig in stand gehouden verliefdheid kan worden beschouwd. Vanuit dit perspectief is de geïdealiseerde liefde als het ware een hypothese die in de praktijk nog getoetst moet worden. Strikt genomen sluit zij haar verwezenlijking zelfs bij voorbaat uit, omdat de gekristalliseerde geliefde enkel in de verbeelding kan bestaan.

Niettemin beschrijft Vestdijk naar mijn mening een herkenbare vorm van liefde. Zo kan bijvoorbeeld een ideaal een groot esthetisch effect hebben, omdat het naar zijn aard altijd volmaakt is. Ook in Antons geval verschaft zijn geïdealiseerde liefde hem een esthetisch genoegen dat in de praktijk niet geëvenaard kan worden. Bovendien is de notie ‘liefde’ een abstractie, en als zodanig meer een idee dan een concreet, werelds object. In zekere zin is liefde dus per definitie al reëler als idee dan als wereldse ervaring. Dit betekent uiteraard nog niet dat de idee waardevoller is dan de wereldse ervaring. Ook al is de praktijk soms weerbarstig, zij kan ongetwijfeld een waardevolle ervaring verschaffen. Zo bezien kan de verwezenlijking van de idee minstens even verkieslijk zijn als de idee zelf. Om die reden twijfelt ook Anton bij tijd en wijle aan de keuze voor het ideaal: ‘hier woonde ze zélf, niet haar droombeeld, niet haar moeitevol en met allerlei hulpmiddelen opgeroepen schim’. Desondanks volhardt hij in deze keuze:

‘Hoe wenste hij niet, onzichtbaar te kunnen rondzweven, vrij om haar te bespieden, indringend tot in het hart van haar werkelijkheid, maar met de vloeiende beweeglijkheid van de droom!’

Om zijn ideaal te cultiveren, moet Anton een zekere afstand tot de praktijk bewaren. De beproeving van zijn liefde kan immers alleen maar op een ontluistering uitlopen. Anders gezegd, zijn liefde gedijt alleen dankzij een bestaande, maar zorgvuldig door de droom bewerkte en op afstand gehouden buitenwereld. Een dergelijke liefde reikt uiteraard niet verder dan de eigen verbeelding, maar kan beslist als reëel worden ervaren en geleidelijk worden opgestuwd tot grote hoogte. Daarom gaat Vestdijks roman, vanuit een filosofisch-idealistische invalshoek, wel degelijk over liefde. Bovendien is het verhaal een virtuoze illustratie van de kracht van de verbeelding, die bepaalt hoe wij de wereld tegemoet treden en onze ervaringen mede vormgeeft.

Noten

[1] Simon Vestdijk, Terug tot Ina Damman. De geschiedenis van een jeugdliefde (31e druk; Amsterdam 2020). [2] Ronald Ohlsen, ‘De geschiedenis van een gelukzalige angst’, Tzum literair weblog, 29 juni 2020. https://www.tzum.info/2020/06/recensie-s-vestdijk-terug-tot-ina-damman, laatst geraadpleegd op 7 augustus 2020. [3] Jeroen Vanheste, Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur (Eindhoven 2017).

Over de auteur

Michel Krott studeerde Techniek en Maatschappij aan de Technische Universiteit Eindhoven. Momenteel werkt hij als octrooigemachtigde in de elektrotechnische industrie. Daarnaast studeert hij Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit.

© 2020 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl