Misdiagnose en non-conformisme: Body Snatchers in vier variaties

Tom Giesbers

Publicatiedatum: 15 december 2020

‘I’m a general practitioner, not a psychiatrist, and I was out of my depth and knew it.’ – Jack Finney, The Body Snatchers (1955) ‘Do you want to go see my friend David Kibner?’ ‘The psychiatrist?’ ‘Not like that. Talk to him. He would put things into perspective.’ – Invasion of the Body Snatchers (1978) ‘I’m a chemist, I’m not a psychiatrist.’ – Body Snatchers (1993) ‘So Ben tells me you’re a psychiatrist. That is very interesting, this is exactly what I need.’ – The Invasion (2007)

Het wordt de laatste jaren steeds gebruikelijker om het sciencefictiongenre te bekijken als een manier om actuele maatschappelijke problematiek te transplanteren naar een niet geheel bekende context. Bijvoorbeeld in een extrapolatie van een huidige toestand naar een versnelde chronologie die de implicaties van huidige tendensen verkent, maar soms ook een bekende context met een enigszins aannemelijk speculatief-fictief element.

De fictieve, hoewel niet geheel fantastische, indringer in de film The Thing from Another World (1951) fungeerde bijvoorbeeld als een manier om emotionele tendensen te identificeren en aan het felle daglicht bloot te stellen: hoe beleeft men indringers in de maatschappij, zoals de communist die je buurman zou kunnen zijn? Een bepaalde verschijningsvorm, zoals de buitenaardse bezoeker, biedt een aangrijpende essentie van de indringerervaring, een onwereldse entiteit die je wereld binnendringt, die voor iedereen inzichtelijk is als universele onwereldse (buitenaardse) ervaring.

Het is daarom uitermate interessant om een van deze wetenschappelijk fictieve verschijningsvormen in verschillende historische incarnaties te zien. Invasion of the Body Snatchers (1956) en de drie remakes die daarop volgden (in 1978, 1993 en 2007) functioneren als een unieke mogelijkheid om een bepaalde thematiek, in dit geval de verhouding tussen de psychiater en de buitenstaander, parallel aan de ontwikkeling van de maatschappij te volgen.

Algemene duidingen van de thematiek van de films wijzen er terecht op dat alle films de rol van de buitenstaander thematiseren, wat ik zal karakteriseren als non-conformisme binnen een samenleving. [1] Daarnaast brengen de films ook op een unieke wijze de ervaringsclaims die non-conformisme veroorzaken in beeld: welke ervaringen zorgen ervoor dat we onszelf als anders dan de menigte beschouwen? Hoe gaat de samenleving om met claims van non-conformisme? In al deze films, en ook in het oorspronkelijke boek van Jack Finney waar de meeste films zich op baseren, is er een doorlopende referentie naar de psychiater als expert die deze claims taxeert. Deze referentie zal ik gebruiken om de veranderende historische en maatschappelijke context tussen deze films te navigeren. Om de relevante thematiek vast te stellen, en een productieve leessleutel voor de films te construeren, onderzoek ik eerst de historische context van de body snatcher.

Joseph Capgras (1873-1950), wikicommons

Het syndroom van Capgras en Body Snatchers

De ervaring die de films uitbeelden heeft een medische herkomst: het syndroom van Capgras, waarbij iemand ervan overtuigd is dat een naaste is vervangen door een identieke bedrieger. De films geven verklaringen voor de rationele vragen die deze ervaringsclaim zou veroorzaken. Hoe weten we dat iemand een bedrieger is? Hoe kan het gaan om een identieke bedrieger? Waarom wordt deze persoon vervangen? Deze vragen verbloemen ook de kern van het syndroom: misidentificatie, een probleem dat diepe discussies uit de filosofie en de psychoanalyse oproept. Klinische en fundamentele filosofische vragen worden dus niet gesteld door de films. De sciencefictionelementen die de aard van de Capgras-ervaring duiden zijn dus vooral ‘just-so stories’, om een term van Rudyard Kipling te lenen.

In de vroege studies van het syndroom van Capgras werd (onterecht) geconcludeerd dat het alleen bij vrouwen voorkwam. In alle films is het dan ook een vrouw die voor het eerst de bedrieger opmerkt, vervolgens niet wordt geloofd, en vaak in behandeling wordt genomen. Ongetwijfeld geeft deze terugkerende structuur ook uiting aan de historisch zwakkere sociale positie van de vrouw.

‘In de films uit 1956, 1978 en 2007 komt een syndroom van Capgras-moment voor, waarbij vrouwen niet geloofd worden door hun behandelaren.’

De specifieke uitdrukking body snatchers heeft ook een opmerkelijke medische achtergrond. De term kwam al voor in Frankenstein en werd rond 1900 een ongebreideld fenomeen. Men kon men snel winst maken door lijken op te graven en deze te verkopen voor gebruik bij medisch-anatomisch onderzoek. Robert Louis Stevenson heeft een beroemd voorval van body snatching gefictionaliseerd in zijn korte verhaal ‘The Body Snatcher’ (1884). [2] Met deze achtergrond komt body snatching, in het Nederlands ‘lijkenpikkerij’, ons lexicon binnen: het schrikbeeld dat men zomaar het lichaam van je geliefde uit diens graf zou kunnen stelen.

Het feit dat er zulke spotprenten verschenen geeft aan dat het zo vaak voorkwam dat het mogelijk werd om er grappen over te maken. (wikicommons)

De eerste drie films zijn cumulatief de oorsprong van de culturele troop pod people, een benaming die suggereert dat iemand iets essentieel menselijks mist. De bedriegers (zowel in het boek als in de meeste van de films) ontstaan uit seedpods (‘zaaddozen’ in het Nederlands). Singulier geobsedeerde mensen, of zeer gedisciplineerde mensen, worden al snel zo bestempeld in het populaire gebruik van deze term in het Engels. Hier keert de verwijzing naar non-conformisme zich om: de pod people worden in dit populaire gebruik als onaangepast gezien, in de zin dat ze iets zeer menselijks ontberen: het gevoelsleven. Het boek en de films presenteren de pod people juist als aangepast en gedreven om steeds meer mensen te vervangen en daarmee hun non-conformisme op te heffen.

Stevensons verhaal werd in 1945 verfilmd. (wikicommons)

‘Onder de meest existentieel vervreemdende momenten in de films zijn de indringende plantaardige elementen die in menselijk vlees veranderen.’

Een groene revolutie?

Hoewel de film uit 2007 de seedpods vervangt door een virale infectie (wat in dit coronatijdperk weer heel actueel is) en de film uit 1993 aansluit bij een traditie van body horror door de pods tot een soort autonome baarmoeders te maken, zijn de pods in de eerste twee films plantaardig. De suggestie lijkt te zijn dat plantaardig leven een broodnodig stapje terug is. Wanneer we ons afkeren van de heftige dierlijke emoties en behoeften van de mens zouden we terugkeren naar een vermeend groeps- of omgevingsbelang dat men associeert met fauna. Die associaties met plantaardige vervangers zijn ook weer uitermate actueel in de huidige fase van de klimaatcrisis. We kunnen daarmee de centrale these van deze films omkeren. Keer op keer suggereren de pod people dat de overname voor een minder chaotische en vredigere wereld zal zorgen. Is het narratief dan niet voor te stellen als een soft invasion? De identiteit van de vervangen mensen blijft bewaard, maar de schadelijke tendensen tot agressie, individueel gedrag dat schadelijk is voor de wereld in het algemeen en de samenleving in het bijzonder verdwijnen. Zelfs de productie van mensen is groen, wat willen we nog meer?

Het is dan ook niet vreemd dat de pod people, zoals zo veel indringers in de jaren vijftig, vaak worden gelezen als een verbeelding van communisten. [3] Die angst voor communisme verraadt ook een diepe onzekerheid. Het gaat hier niet om een verwoestende invasie, maar om een soft invasion. ‘You’re next,’ roept de hoofdpersoon van de film uit 1956, terwijl hij hysterisch over de snelweg rent. De communisten zijn hier juist een gevaar voor iedereen, zoals ik voor deze doeleinden de film lees, omdat iedereen in potentie door hun ideeën overtuigd kan worden. Zonder waarschuwing kunnen je geliefden ‘gesnatched’ worden door het rode gevaar. De in elke film doorlopende waarschuwing (val niet in slaap) kunnen we ook aan deze vrees voor het rode gevaar koppelen. Wanneer we niet waakzaam zijn, is iedereen om ons heen ineens veranderd in het (rode of groene) gevaar.

Wanneer we deze lezing volgen, plaatst de film het publiek uit de jaren vijftig voor een keuze: óf de ideeën zijn correct, maar we vrezen ervoor dat we in de uitvoering daarvan onze authenticiteit verliezen, óf ideeën zijn fundamenteel neutraal, en we vrezen voor ons eigen onvermogen om daar kritisch mee om te gaan, waardoor we met de wind van het heersende gedachtengoed meewaaien. Uit beide opties spreekt een vrees voor nieuwe ideeën.

Het boek waar de film op is gebaseerd valt niet zo eenduidig te lezen als uitdrukking van de red scare, met name omdat het vanuit het perspectief van een arts wordt verteld, waardoor de gebeurtenissen veel duidelijker ingekaderd zijn binnen een reële menselijke ervaring. De eerste film, daarentegen, blijft afstandelijk, aangezien het narratief uitwendig verteld wordt met de gebruikelijke schijnobjectiviteit van films. Deze schijnobjectiviteit wordt geproblematiseerd aan het einde van de film uit 1978, wanneer de protagonist tussen de scènes door is vervangen door een pod person. De kijker volgt hem aanvankelijk alsof er niets aan de hand is, wat de suggestie wekt dat wijzelf, of onze naasten, het verschil niet zouden merken wanneer we ons nieuwe ideeën toe-eigenen. We blijven onszelf als dezelfde persoon ervaren, en die ervaring strookt met de angst voor te transformatieve ideeën.

Hiermee hebben we de belangrijkste achterliggende thema’s samengevat die ik in deze films wil belichten: non-conformisme, het syndroom van Capgras, body snatching en de red scare. De psychiatrie en diens gebreken zijn een veel minder onderzochte doorlopende thematiek van de body-snatcherfilms. Ik wil nu laten zien hoe alle films die thema’s samenbrengen onder een doorlopende reflectie over de rol van de psychiatrie.

De psychiatrie in het vizier

De eerste film en het boek beginnen vanuit de optiek van een huisarts. Al snel verschuift de medische blik vanwege diens beperkingen naar een psychologische blik. De hoofdrolspelers van de eerste drie films geven steeds aan dat er een gebrek aan psychologische kennis is. Het is dan ook significant dat de hoofdrolspeler van de vierde film een psychiater is, en dat er nog steeds nadruk wordt gelegd op de afwezigheid van psychologisch inzicht. Het boek duidt de belofte van een psychologisch begrip als volgt:

Realize that, Wilma, think about it and get it into your head, and you’ll know the trouble is inside you. And then we’ll be able to do something about it. [4]

Dat maakt ook onmiddellijk duidelijk dat we hier te maken hebben met een diagnose die volgt uit non-conformisme: alleen Wilma zelf kan iets aan de ‘trouble’ veranderen, het probleem ligt niet in haar omgeving. In het boek wordt meer nadruk gelegd op de misdiagnose van de psychiater. Door middel van een ongenoemd psychologisch experiment wordt de overtuigingskracht van observatie en geleefde ervaring grondig ontkracht:

We had seen them, in fact; but only in our minds, hunting for some explanation. [5]

Even though I could still see in my mind, vivid and horribly real, what I’d thought I’d seen in Becky’s basement, I felt, intellectually, that Mannie was probably right. But emotionally it was still nearly impossible to accept, and I guess it showed in my face, and in Jack’s. [6]

Die emotionele overtuiging is exact de emotionele overtuiging dat men met een body snatcher te maken heeft. Een beleefde ervaring kan intellectueel, op een niveau van publiek discours, miskend worden als gevolg van een misdiagnose, maar de emotionele kern van de overtuiging blijft overeind. Het is van belang om hier op te merken dat de misdiagnose van de psychiater het conformisme in de hand werkt, door de body snatchers onopgemerkt hun gang te laten gaan.

De film uit 1956 gebruikt de body snatchers primair om de angst voor het communisme te verbeelden. Het is daar een essentieel kenmerk van de body snatchers dat de infiltratie ongemerkt kan plaatsvinden. In het boek wordt benadrukt dat er geen mentale verschillen zijn. Dit is uiteindelijk ook een kenmerk dat immanent het ethos van de red scare tegenwerkt: functioneel en existentieel verandert er niets aan de geïnfiltreerde personen. Ze zijn nog steeds dezelfde persoon, maar nu met een nieuwe politieke opvatting. Deze karakterisering ondergraaft de angst voor collectivisme.

Hoewel de personages die het verschil aanduiden tussen een echte persoon en een body snatcher menen dat er iets ontbreekt, wordt het nooit evident wat dat ‘iets’ precies is. Men meent dat deze personen geen echte emoties hebben, alleen geveinsde emoties, maar wat is uiteindelijk het verschil? In het klein herhaalt zich hier het syndroom van Capgras: de emoties zijn hetzelfde, maar toch niet hetzelfde, omdat ik ze niet als herhaling kan herkennen. Die karakterisering komt overigens goed overeen met de thematiek van de red scare: in navolging van het propagandistische antisemitisme van het nazibewind worden communisten als zielloze monsters afgeschilderd die net doen alsof ze op een emotioneel niveau meedoen aan de kapitalistische samenleving, terwijl hun echte visie onder de oppervlakte schuilt.

Anticommunistische propaganda, 1947, wikicommons

In het boek wordt ook nadrukkelijk benoemd dat de infiltratie geen fysieke verschillen teweegbrengt. Het eerste personage dat tentatief als geïnfiltreerd wordt aangewezen, gepresenteerd door de lens van een vrouw die mogelijk aan het syndroom van Capgras lijdt, heeft nog steeds een chirurgisch litteken op zijn nek, zoals hij dat voor een groot deel van zijn leven had. [7] De noodzaak van psychologisch inzicht is hier duidelijk. Fysiek lijkt er niets aan de hand.

Het boek levert een eenduidige uitleg van de centrale metafoor van het verhaal, een typische Frankfurter Schule-tijdsdiagnose: de opkomst van technologie in ons leven, die onze handelingen effectiever maakt, vervreemdt ons ook van onszelf. Deze these wordt opgeworpen in hoofdstuk 5, waarin een telefonist overstapt naar een kiestelefoon. Ja, het is sneller, maar we hebben de mens, in dit geval een mens, eruit bezuinigd:

Sometimes I think we’re refining all humanity out of our lives. [8]

Aan deze tijdsdiagnose had de film uit 1956 geen boodschap. [9]

Wanneer de film uit 1978 een psychiatrische zelfactualisatie introduceert, zien we een soortgelijke tijdsdiagnose. Deze film verzet zich, in de persoon van de psychiater Kibner, tegen een bijna stichtelijke diagnose van de samenleving: mensen willen geen verantwoordelijkheid op zich nemen en verbreken relaties daarom te snel. Het resultaat: de mens wordt minder menselijk. Kibner ziet hier de desintegratie van maatschappelijke instituties, zoals de familie:

The whole family unit is shot to hell. [10]

Deze opvatting komt overeen met een bekende verklaring voor het syndroom van Capgras, die inmiddels vervangen is door een neurologische verklaring rond hersenschade. De verklaring luidt dat degenen met dit syndroom een wensdroom verwezenlijken om afstand te nemen van een (bestaande vorm van een) relatie. Door deze misdiagnose in de mond van de psychiater te leggen, geeft de film uiting aan een miskenning van het echte probleem.

De psychiatrie is in deze film geen middel om kennis te verschaffen over de eigen psyche, maar een object van wantrouwen. De film waarschuwt voor misleidende diagnoses, die ons van de realiteit van onze situatie afleiden en maakt deze conclusie aannemelijk door van de psychiater een van de body snatchers te maken, die wordt ingezet om van de invasie af te leiden door alle symptomen af te schrijven als een uiting van een desintegrerende maatschappij. Hoewel de psychiater in het boek en de film uit 1956 een soortgelijke rol had, wordt de these in de film van 1978 expliciet: er gaat iets mis in de diagnose van non-conformisme in de psychiatrie.

De egopsychologie

De films sluiten aan bij een probleem met de psychiatrie waar meerdere psychiaters voor waarschuwden. De psychiatrie zou de spreekbuis van de gevestigde orde zijn, en diversiteit met harde hand uit de maatschappij verwijderen. De Franse psychiater Jacques Lacan bekritiseerde deze Amerikaanse stroming in de psychoanalyse, de egopsychologie, omdat ze in zijn ogen veel te veel nadruk legde op aanpassing binnen een sociaal milieu. Dit verplaatst de referent van de body snatchers van communisme naar een zeer Amerikaans conformisme. ‘You’ll be born again into an untroubled world,’ verkondigt Kibner, wanneer hij een van de hoofdrolspelers een injectie geeft om in slaap te vallen. Met andere woorden, het zijn de nukken van het individu die alle problemen veroorzaken. Het resultaat is een bijna hegeliaanse nachtmerrie, waarin individuen volledig en onkritisch opgaan in de maatschappij, en er geen onafhankelijk eigen leven meer op nahouden:

Your minds and memories will be totally absorbed. Everything remains intact. [11]

Dit komt overeen met de opvattingen van de egopsychologie, die van de jaren vijftig tot de jaren zeventig zeer invloedrijk was in de Verenigde Staten. Heinz Hartmann, de theoretische grondlegger van deze beweging, deed een poging om Freuds theorie van het ego te ontwikkelen rond maatschappelijke thematiek die Freud reeds had uitgewerkt in Die Zukunft einer Illusion (1927) en Das Unbehagen in der Kultur (1930), waar de mensheid in zijn breedste zin als fundamenteel agressief werd beschreven. De egopsychologen zagen het als de taak van een therapie om het ego van hun cliënten te integreren binnen een maatschappelijke context. Functioneel betekent dit dat het ego gesterkt wordt in zijn verzet tegen de driften. Goedbedoeld, jazeker, maar het resultaat was wel dat de psychiatrie de maatschappij in diens huidige vorm vooropstelde en er alles aan deed om hun cliënten te integreren. Individualistische en asociale neigingen waren daarbij altijd ondergeschikt aan de maatschappij.

Lacan was bekend met deze beweging, die mede werd ontwikkeld door zijn leermeester Rudoph Loewenstein. Een theoretische kritiek op deze benadering vinden we in een van Lacans seminars: we kunnen alleen conformisme propageren door middel van een veralgemeniseerbare neurotische fantasie waar de symptomen niet uit de toon vallen omdat ze door iedereen gedeeld worden. [12] Het zal vanuit een individueel perspectief in ieder geval niet tot minder symptomen leiden, en de neurotische vorm versterken door de symptomen daarvan, die uiteindelijk niet zijn te onderscheiden van maatschappelijk gewenst gedrag, te bevestigen. Deze lezing is in lijn met Lacans algehele afschaffing van het onderscheid tussen normaal of gezond en pathologisch gedrag. Ieder mens heeft zijn eigen psychologische structurering met symptomen die door een psychoanalyticus te lezen zijn. Hoewel Lacan afstand neemt van de connectie tussen een hulpvraag en conformisme meent hij wel dat er een dieptestructuur overheerst in de samenleving, de neurotische.

Heinz Hartmann behandelde deze problematiek met scherpzinnigheid en leek in ieder geval te anticiperen op de kritieken die de films uiten op de egopsychologie. In een artikel uit 1939 schreef hij:

Where ethical, aesthetic, and political valuations enter very clearly into play and proceed to make use of the concept of health for their special purposes, a considerably wider latitude is allowed to such arbitrary judgment. By skillful conjuring with these kinds of standards it becomes easy enough to prove that those who do not share our political or general outlook on life are neurotic or psychotic or that social conditions to which we are for some reason opposed are to be accounted as pathological. [13]

Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat de analytische gemeenschap zichzelf herkend zal hebben in de karakterisering van de films. Hoewel het niet overeenkomt met een algemene beroepspraktijk is het wel mogelijk dat er allerlei persoonlijke vooroordelen in de praktijk van individuele psychiaters zijn geslopen. Hartmann had het volle vertrouwen dat dit niet het geval zou zijn toen hij de grondvesten van de benadering uiteenzette:

I believe that we are all clear in our own minds that such judgments – whether we personally share them or not – have no right to speak in the name of psychoanalytic science. [14]

De beide visies, de intenties van de egopsychologie en de kritiek op de uitwerking daarvan, vallen niet eenvoudig met elkaar te verzoenen. Enerzijds is het aannemelijk dat een aantal psychiaters binnen de egopsychologie bewust of onbewust de positie van volksmenner heeft ingenomen; vooral binnen kleine plattelandsgemeenschappen was de verleiding daartoe waarschijnlijk groot. Anderzijds is het de vraag of de kritiek van de films niet ten dele voortkomt uit een onbegrip van de fundamentele afwegingen achter de egopsychologie. We kunnen in ieder geval concluderen dat de film uit 1978 een groeiende onvrede met ogenschijnlijk conservatieve en paternalistische psychiatrie vertegenwoordigt. Die onvrede werd ten dele ook gedeeld binnen de psychiatrie, zoals we zien aan de opkomst van de antipsychiatrie en de bijdrage van een aantal psychiaters daarbinnen.

De kritiek van de film op de intenties van de egopsychologie kan incorrect zijn, maar daarmee ontsnapt de egopsychologie niet aan Lacans kritiek op de fundamentele aannames ervan. Lacan verklaart waarom er een groot verschil lijkt te zijn ontstaan tussen de intenties van de egopsychiatrie en de effecten daarvan. Buiten de intenties van individuele proponenten om lijkt het concept van gezondheid te zeer een doel zonder duidelijke definitie. Opmerkelijk genoeg is dit het concept waar Hartmann bij de eerste stappen naar een theoretische uitwerking van de egopsychologie het meeste mee worstelt. Als we Lacan volgen zou de eerste stap naar een effectieve therapie de verwerping van het concept van gezondheid moeten zijn.

De films kiezen keer op keer een hoofdpersoon met een beroep dat om gezondheid draait, maar die niet de juiste middelen in huis heeft om de menselijke geest te begrijpen: een huisarts in 1956, een gezondheidsinspecteur in 1978 en een milieu-inspecteur in 1993. In 2007 volgen we daadwerkelijk een psychiater. Daarmee blijft de rol van de psychiatrie ook na het verdwijnen van de egopsychologie relevant. We reflecteren ten slotte op de unieke setting van de films uit 1993 en 2007.

Surveillance en psychofarmaca

De setting van Abel Ferrara’s film uit 1993 in een legerbasis introduceert een nieuw geopolitiek paradigma: de surveillance van alle burgers en een continue staat van paraatheid. Is de claim dat juist de systematisering van veiligheid de mogelijkheid van een invasie versnelt? Dit impliceert ook een bekend probleem: we worden continu gecontroleerd op afwijkend gedrag, met het risico dat ons leven totaal van bovenaf gecoördineerd wordt, met straf als dreigmiddel. Hier speelt de problematische rol van minderheden, die op sociaaleconomisch niveau bij het feit van hun eenvoudige verschijning al worden voorgestructureerd als non-conformistisch.

Deze surveillancethematiek wordt visueel benadrukt door de belichting, die vrijwel alleen via felle floodlights werkt die de schemer onverwacht belichten. Deze scherpe licht-duistercontrasten doen denken aan Orson Welles’ verfilming van Franz Kafka’s The Trial (1962). Op elk moment kan ons gedrag in onflatteus licht komen te staan. In Ferrara’s film wordt expliciet duidelijk dat emoties ons onderscheiden van de body snatchers, maar binnen de surveillanceproblematiek ligt dat toch iets anders. Emoties zijn een stand-in voor ons ware zelf, die we proberen te behouden door deze aan de surveillance te onttrekken. De enige militaire psychiater in de film begint in een staat van paranoia, als de eerste die de invasie op het spoor is. Hoewel deze film geen uitgesproken bespiegeling over de psychiatrie bevat, is ook dit gegeven relevant. Vergevorderde surveillance dwingt de psychologische blik tot een overdiagnose. Men ziet overal symptomen, en is elke persoonlijke oorzaak bijster. Dit resulteert in het zoeken naar die oorzaak in het eigen oordeel, in de eigen blik. Op deze manier wordt de kritiek op de psychiatrie geüpdatet voor een hedendaags tijdperk.

‘Bij de film uit 2007 wordt psychofarmaca nog kwaadaardiger verbeeld: psychofarmaca is niet alleen een manier om in slaap te vallen en vervangen te worden door de body snatchers (zoals in de film uit 1978), maar ook een manier om wakker te blijven. Een cure-all dus.’]

In contrast met de film uit 1993 is de film uit 2007 van Oliver Hirschbiegel een veel explicietere aantijging tegen de psychiater als verstrekker van psychofarmaca. Een van de body snatchers pareert de verontwaardiging van de hoofdrolspeler, een vrouwelijke psychiater, met het volgende:

You give people pills to make their lives better. How is that so different from what we do? [15]

In een eerdere scène wordt haar gevraagd:

Perhaps being Russian in this country is a kind of pathology. So what do you think? Can you help me? Can you give me a pill? Can a pill help me understand Iraq or Darfur, or even New Orleans?

Met deze twee dialoogfragmenten hebben we de locus van de nieuwe kritiek op de psychiatrie te pakken: de psychiatrie verhelpt maatschappelijke problemen met overmedicatie.

Deze psychiater dient haar zoon medicijnen toe om zijn nachtmerries te doen verdwijnen. In een van de vroegste scenes zien we een boek van Carl Jung, dat naar alle waarschijnlijkheid het collectieve onbewuste thematiseert. De film staat bol van post-9/11-terrorismeverwijzingen. Volgens de politieke boodschap van de film lossen we diepe problemen en trauma’s op met kortetermijnoplossingen, zonder naar de wortels van deze fenomenen te kijken. Hetzelfde geldt voor de psychiatrie. De hoofdpersoon is daarmee een vertegenwoordiger van de manier waarop maatschappelijke problemen worden aangepakt.

Ook hier bemiddelt de psychiatrie en kunnen we spreken over een escalatie van de egopsychologie. De psychiatrie staat niet alleen in dienst van de staat, maar gelooft ook zelf ten volle in haar behandelingsmethoden, dermate dat symptoombehandeling voornamelijk via psychofarmaca kan verlopen. De psychiater drogeert haar eigen kind, zo sterk gelooft ze in haar behandelmethoden.

Hoewel de egopsychologie en het ego als theoretisch construct in de jaren zeventig uit de mode raakten, laat de doorlopende referentie naar de psychiatrie in de body-snatcherfilms ons zien dat de compliciteit tussen de psychiatrie en de staat niet met de egopsychologie verdwenen is, en dat de achterliggende problemen nog steeds aan de orde zijn. Hartmanns behandeling van het ego om beter te assimileren in de maatschappij is vervangen door een onderdrukking van maatschappelijk lastige symptomen door middel van psychofarmaca. Door de kritiek op psychiatrie in alle body-snatcherfilms te volgen, komen we dus tot een min of meer doorlopende these over de maatschappelijke rol van de psychiatrie.

In reactie op een cliënte die ogenschijnlijk het syndroom van Capgras heeft verandert de hoofdpersoon van de film van 2007 dan ook onmiddellijk haar medicatie. Deze drogering wordt ook direct verbonden aan het thema slapen. Wanneer aan het einde van de film de body-snatcherziekte wordt uitgeroeid, wordt verteld dat de zieken de overname van hun leven beleefden alsof ze sliepen, aanwezig maar niet autonoom.

Tijdens een etentje bij een diplomaat wordt de hoofdpersoon gedwongen om toe te geven dat ze meent dat medicatie helpt om onze minder charmante kwaliteiten te onderdrukken, zodat de mens de ruimte heeft om zichzelf te ontwikkelen. Ze baseert zich daarbij op de ontwikkelingspsychologie:

While I’ll give you that we still retain some basic animal instincts, you have to admit we’re not the same animal that we were a few thousand years ago. Read Piaget or Kohlberg, or Maslow, Graves, Wilber, and you’ll see we’re still evolving. Our consciousness is changing. Five hundred years ago, postmodern feminists didn’t exist, yet one sits right beside you today. [16]

Buiten het feit dat alleen in het werk van psychologische theoretici Abraham Maslow, Clare Graves en Ken Wilber de claim wordt gemaakt dat er een ontwikkeling in het menselijke bewustzijn is, is dit een significante bekentenis. Het schetst namelijk een bijna negentiende-eeuws beeld van de psychiater als volksverlichter, waarbij, zo weten we uit het werk van onder andere Theodor Adorno en Michel Foucault, het geluk van het afwijkende individu wordt opgeofferd voor een ogenschijnlijke maatschappelijke stabiliteit en de belofte, de fantasie, dat de mens daardoor een geweldige bewustzijnsontwikkeling zal doormaken. Na deze dinerscène zien we weer een werk van Jung op de plank in het kantoor van de hoofdpersoon, schijnbaar om te benadrukken dat het collectieve bewustzijn voor haar het belangrijkst is.

We hoeven geenszins Lacans eigen psychologische fundamenten en behandelmethoden te accepteren om op te merken dat hier sprake lijkt te zijn van één van de fantasieën die hij als enige manier ziet waarop het ego zich kan sterken tegen zijn driften. In dit geval gaat het wellicht om de fantasie van het ego van de psychiater: dat zijn of haar intenties om de symptomen van non-conformistische individuen te onderdrukken een vooruitgang in de mensheid als geheel zal bewerkstelligen. Als deze fantasie accuraat is, dan is er inderdaad functioneel weinig verschil tussen de machthebber en de psychiater, en zijn we gerechtigd om de historische rol van de psychiatrie die de body-snatcherfilms volgen te behandelen onder de noemer macht. De benadering van die historische rol vanuit macht zien we terug als een van de pijlers van Foucaults filosofisch-historische project. Wat ik heb willen laten zien is dat het analyseren van de body-snatcherfilms vanuit de verbeelding van de verhouding van de psychiater tot diens cliënten ons vanzelf op het spoor van macht brengt, zonder dat we vertrekken vanuit een concreet machtsbegrip. Deels is dat te danken aan de confrontatie met de psychoanalytische literatuur van Hartmann en Lacan, die, zij het binnen een psychoanalytisch raamwerk, de machtsrol van de psychiater bevraagt. Boven alles, echter, laat de dramatisering van deze verhouding in vier films deze machtsdynamiek zien, in conjunctie met een dreiging met een historische echo, de body snatcher. Daar ligt natuurlijk ook een zekere vertekening. Dramatisering heeft bijvoorbeeld weinig boodschap aan de verbeelding van de curatieve waarde van psychotherapie in al haar complexiteit.

Noten

[1] Kathleen Loock, ‘The Return of the Pod People: Remaking Cultural Anxieties in Invasion of the Body Snatchers’ in: Film Remakes, Adaptations and Fan Productions (Londen 2012) 122-144. [2] Robert Louis Stevenson, ‘The Body Snatcher’ in: Pall Mall Christmas “Extra” (Londen 1884). [3] Wat mij betreft is dat een zeer aannemelijke lezing, gezien het feit dat een van de eerste scènes van de originele film de verloedering van een groentekraam benadrukt als een eerste indicatie van de overname door de body snatchers. Het idee dat een drukke ‘schone’ kleine winkel onmiddellijk verloedert onder de invloed van communisme is een van de klassieke kapitalistische schrikbeelden. Dit alles schrijft overigens nog geen duidelijke intenties toe aan de filmmakers, aangezien men evengoed de film kan lezen als zowel bewuste propaganda als een kritische kijk op die propaganda. De film uit 1956 leent wat betreft red-scaremetaforiek meer van Robert A. Heinleins The Puppetmasters uit 1951 dan van Jack Finneys Body Snatchers. [4] Jack Finney, The Body Snatchers (Londen 2010) 13. [5] Ibidem, 73. Ibidem, 73-74. [6] Ibidem, 11. [7] Ibidem, 46. [8] Zie ook het antitechnologische aspect in deze passage: ‘I began to run – as hard as I could – and somehow, for no reason I can explain, the sidewalk seemed hampering, seemed to slow me down, and I darted across the grass strip toward the curb […].’ Ibidem, 52. [9] Invasion of the Body Snatchers (1978). [10] Ibidem. [11] Jacques Lacan, The Seminar of Jacques Lacan: The Psychoses 1955-56 Book III, Jacques-Alain Miller red. (New York 1993) 174. [12] Heinz Hartmann, ‘The Concept of Health’ in: Essays on Ego Psychology (Londen 1964) 14. [13] Ibidem. [14] The Invasion (2007). [15] Ibidem. [16] Een bijzonder perspectief op de rol van de psychiatrie in het bepalen van normalisering in het strafrecht wordt uiteengezet in Foucaults seminar Abnormal: Lectures at the Collège de France, 1974-1975, Valerio Marchetti en Antonella Salomoni reds. (Londen 2003).

Over de auteur

Tom Giesbers is universitair docent filosofie aan de Open Universiteit. Hij werkt op het snijvlak van de theoretische en praktische filosofie, vooral binnen de klassieke Duitse filosofie. Zijn huidige onderzoek gaat onder meer over illusie, drift en kleding.

Tom Giesbers, ‘Misdiagnose en non-conformisme: Body Snatchers in vier variaties’, Locus – Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen 23 (2020). https://edu.nl/6fy44

© 2020 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl