Jezelf zijn in een digitale wereld

Identiteit en sociale media

Femke Kok

Publicatiedatum: 13 oktober 2018

Zijn sociale media zoals Facebook en Instagram passieve media, waarop we ons 'ware ik' kunnen tonen? Of dragen deze sociale media juist bij aan de vorming van onze identiteit? Dit artikel laat aan de hand van de filosofie van Marya Schechtman en Maurice Merleau-Ponty zien dat onze identiteit mede wordt bepaald door onze sociale-mediaprofielen.

Inleiding

Halverwege de vijftiende eeuw ontstond er een nieuwe, mysterieuze ziekte, die zich vooral voordeed onder adellijke mannen: de glasziekte. In het Tijdschrift voor psychiatrie beschrijft E.I. Müller de ziekte als volgt: ‘De glasziekte […] kende twee hoofdsymptomen: een irrationele angst uit breekbaar glas te bestaan en een afkeer van zonlicht. Lijders aan de ziekte dachten bijvoorbeeld dat ze een glazen olielamp waren of dat ze opgesloten zaten in een glazen fles.’


Müller heeft ook een mogelijke verklaring voor het ontstaan van de glasziekte: het lijkt erop dat een speciale, nieuwe technologie uit die tijd een bemiddelende rol heeft gespeeld bij het ontstaan en het verloop van deze mysterieuze aandoening: vlak voordat de glasziekte ontstond is de glasspiegel uitgevonden. Müller veronderstelt een direct verband tussen de uitvinding van de glasspiegel en de opkomst van de glasziekte.


Het voorbeeld van de glasziekte laat zien dat nieuwe technologieën ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor ons zelfbeeld. De glasspiegel was een voorbeeld van zo’n technologie, net als – vandaag de dag – het internet en sociale media. Deze media kunnen inspireren, onze leefwereld vergroten en mensen samenbrengen, maar ze kunnen ook leiden tot depressies en minderwaardigheidsgevoelens. Net als de spiegel in de vijftiende eeuw, hebben internet en sociale media invloed op ons ‘ik’.


Hoewel het niet moeilijk is om je op internet als iemand anders voor te doen, of je beter voor te doen dan je bent, proberen de meeste mensen op hun sociale-mediaprofielen hun eigen, persoonlijke identiteit uit te drukken, of in elk geval een identiteit die overeenkomt met hun zelfbeeld. Het is echter maar de vraag hoe authentiek we nu eigenlijk zijn in de virtuele wereld. Slagen we er in om op sociale netwerksites onze ‘ware’ identiteit te laten zien? Of dragen deze sociale media wellicht zelf bij aan onze identiteit?

Identiteit en authenticiteit

Als we het hebben over ‘jezelf zijn’, dan hebben we het over een speciale vorm van persoonlijke identiteit, namelijk authenticiteit. De vraag naar authenticiteit, ofwel de vraag naar ons ‘ware ik’, is tamelijk recent in de Westerse filosofie. Om een antwoord te kunnen geven op de existentiële vraag: ‘wie ben ik?’, is het van belang om vast te stellen wat we precies bedoelen met ‘ik’. Wie bij de filosofie te rade gaat, vindt verschillende antwoorden op de vraag wat het ‘zelf’ is of wat bepalend is voor onze identiteit.


Identiteit als karakteriseringsvraag

De term ‘identiteit’ komt van het Latijnse woord identitas, dat ‘gelijk zijn’ of ‘hetzelfde zijn’ betekent. Vaak wordt dan ook gesuggereerd dat een voorwaarde voor identiteit is dat we op de een of andere manier dezelfde zijn en blijven. Je blijft bijvoorbeeld gedurende je hele leven dezelfde persoon vanwege een psychische of fysieke continuïteit. Toegepast op onze vraag, betekent dit dat de persoon die je op sociale media laat zien dezelfde is als de persoon die je in werkelijkheid bent. Als je je daarentegen anders voor zou doen in de virtuele wereld, dan ben je daar niet ‘dezelfde’, en neem je dus een andere identiteit aan. Maar hoe bepaal je nu of je virtuele profiel op Facebook of Instagram jouw ‘ware ik’ laat zien? Er is dan een criterium voor jouw identiteit nodig.


De filosofie Marya Schechtman is van mening dat de vraag naar persoonlijke identiteit vooral een karakteriseringsvraag is: ‘welke handelingen, ervaringen, overtuigingen, waarden, verlangens, karaktertrekken enzovoorts (…) moeten worden toegekend aan een bepaalde persoon?’ Zo bezien is het ‘zelf’ geen psychische of fysieke continuïteit, maar een verzameling karakteristieken die je aan iemand kunt toeschrijven: als we willen weten wat jou tot jou maakt, moeten we op zoek naar de eigenschappen, voorkeuren en gebeurtenissen die je vormen. Je bent bijvoorbeeld bedachtzaam, houdt van Engelse drop, je vindt dat werken moet lonen en je bent mede gevormd doordat je op jonge leeftijd je moeder verloor.


Als we ‘identiteit’ opvatten als karakteriseringsvraag, dan hebben we meteen een criterium voor onze authenticiteit op sociale media: we zijn authentiek als we op Facebook en Instagram die eigenschappen en gebeurtenissen tonen die ons als persoon bepalen. Dragen we iets anders uit, dan zijn we niet authentiek.


Identiteit als narratief

Maar hoe kunnen we nu bepalen welke karakteristieken en gebeurtenissen mij bepalen, en welke niet. Het lijkt haast onmogelijk om dit objectief vast te stellen. Een mogelijkheid is om identiteit op te vatten als een narratief, ofwel als een verhaal (narratio) dat je over jezelf vertelt. Zo is Schechtman van mening dat een persoon zijn identiteit zelf constitueert door middel van een zelfbeeld dat narratief van vorm is. Je zou het zelf kunnen opvatten als het centrum waarop onze verhalen over onszelf betrekking hebben.


Als we dus willen weten wat jou tot jou maakt, kunnen we op zoek gaan naar die karakteristieken en gebeurtenissen die samen een verhaal over jou kunnen vormen:

Al op de basisschool De Vordering kan ik me herinneren dat ik probeerde zo snel mogelijk naar school te racen op mijn Gazelle. Later werden het intervallen van zeven kilometer naar Het Isendoorn College in Warnsveld. (…) Daarna ging ik paardrijden en het mooiste daarvan vond ik om met snelheid door de Achterhoekse bossen te crossen. Ik miste bij het paardrijden echter de ‘teamspirit’ en daarom werd ik op mijn achttiende lid bij voetbalvereniging SV Ratti. Qua techniek was ik veel te laat met deze sport begonnen, maar met mijn conditie kon ik dit aardig compenseren. Met het voetballen begon het fanatisme voor sport. Na twee operaties aan mijn meniscus, scheurde ik ook nog mijn voorste kruisband af tijdens een wedstrijd in 2005. De arts adviseerde mij om te stoppen met voetbal en in plaats daarvan te kiezen voor zwemmen of fietsen. Wielrennen was voor mij geen onbekende sport, want het fietsvirus is duidelijk aanwezig aan mijn moederskant van de familie.

Een narratief als dit is uiteraard altijd selectief. Niet elke gebeurtenis en elke karakteristiek krijgt een plaats in je levensverhaal, want een narratief zelfbeeld interpreteert losse feiten aan de hand van hun plaats in het hele verhaal. Karaktereigenschappen en gebeurtenissen die niet verbonden kunnen worden met de andere verhaalelementen raken buiten beeld. In dit geval hebben die elementen een plaats gekregen die hebben geleid tot Annemiek van Vleutens successen op de fiets. Het feit dat zij als kind (al!) probeerde zo snel mogelijk naar school te fietsen krijgt betekenis in het licht van haar latere carrière als profwielrenster.


De invulling van de narratieve identiteit brengt echter ook problemen met zich mee; want stel nu dat het ‘ik’ pas ontstaat met het narratieve zelfbeeld, wie vertelt dit verhaal over jezelf? Veronderstelt het vertellen van een verhaal niet dat je al iemand bent?


Lichamelijke identiteit

De vraag of de persoon niet noodzakelijk vooraf gaat aan diens narratieve zelfbeeld kan onder andere beantwoord worden met behulp van de filosofie van de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908-1961). Merleau-Ponty heeft als een van de eersten gewezen op de lichamelijke dimensie van onze identiteit. Een verhaal over onszelf vertellen we volgens Merleau-Ponty altijd achteraf. Wat vooraf gaat aan dit verhaal, is de (lichamelijke) ervaring, en die is prereflexief; dat wil zeggen: die vindt plaats los van en voorafgaand aan het denken.


Merleau-Ponty benadrukt de ‘dubbele houding’ die we aannemen ten aanzien van ons lichaam en de lichamelijke ervaring. Hij wijst erop dat we ons lichaam enerzijds vaak bekijken als een ding, waarover we bijvoorbeeld iets kunnen opmerken, maar dat we tegelijkertijd ook ons lichaam zijn. Met een beroemd voorbeeld, dat ook door Edmund Husserl (1859-1938) en Jean-Paul Sartre (1905-1980) werd gebruikt, beschrijft hij wat er gebeurt als je met je ene hand je andere aanraakt: in die ene aanraking ervaar je je eigen lichaam tegelijkertijd als het ‘lichaam dat aanraakt’ en als ‘het lichaam dat aangeraakt wordt’. De ervaring van het ‘ik’ vindt dus plaats in een lichaam dat tegelijkertijd beroert en beroerd wordt, en dat tegelijkertijd vreemd en eigen is.


Stel nu bijvoorbeeld dat ik in de spiegel kijk en ontevreden ben over mijn neus. Ik neem dan het perspectief van een toeschouwer in ten opzichte van mijn lichaam en keur het als een willekeurig object. Tegelijkertijd is het mijn doorleefde, ervarende lichaam zelf dat naar mijzelf kijkt en gevoelens van ontevredenheid ontwikkelt bij de aanblik van mijn neus. Met andere woorden: ik ben het lichaam dat ik objectiveer door het te bekritiseren. Als ik niet ook mijn lichaam zou zijn, zou ik mij waarschijnlijk ook helemaal niet zo druk maken om mijn neus.


Merleau-Ponty laat zien dat het doorleefde lichaam en het belichaamd-zijn belangrijk zijn voor het ‘zelf’. Zelfs als we zouden volhouden dat ons zelf verhalend is, dan is het toch waarschijnlijk dat het doorleefde lichaam het ankerpunt is waarin de ervaringen die aan dat verhaal ten grondslag liggen tot stand komen. Het centrum waarop al deze verhalen betrekking hebben, ons ‘zelf’, is dus een belichaamd zelf. Maar wat betekent dit dan voor onze identiteit in de virtuele ruimte, waar we ons zonder ons doorleefde lichaam begeven?

Identiteit & sociale media

Op Facebook en Instagram vertellen we aan de hand van foto’s, gebeurtenissen en voorkeuren een verhaal over onszelf. Maar is dit nu een authentiek verhaal en welke rol speelt ons doorleefde lichaam nog in de virtuele ruimte?

Het verhaal dat wij op sociale media over onszelf vertellen wordt in elk geval niet alleen door onszelf geschreven. We worden bijvoorbeeld continu getagd in berichten van anderen, die daardoor meeschrijven aan ons verhaal. Als we specifiek naar de werking van Facebook kijken, dan zien we dat deze netwerksite zelf ook meeschrijft aan onze verhalen. Iedere Facebookgebruiker kent wel de periodieke berichten waarin de site ons laat weten:

Wij geven om je en de herinneringen die je hier deelt. Je hebt je omslagfoto vijf jaar geleden gewijzigd en we dachten dat je het leuk zou vinden om hierop terug te kijken.

Facebook genereert bovendien verhalen van vriendschappen (‘Gefeliciteerd, jullie zijn vijf jaar vrienden op Facebook. Bekijk hier jullie vriendschap.’) en aan het einde van elk jaar stelt de site een video samen van ‘jouw jaar’, die je vervolgens met je vrienden kunt delen. De site fungeert zo als een reusachtig fotoboek dat ongevraagd herinneringen aan jou en je volgers opdringt. Omdat het verhaal dat Facebook over je vertelt is gegenereerd op basis van likes, wordt dit verhaal mede bepaald door de voorkeuren van je contacten.

Wanneer we identiteit dus opvatten als narratieve identiteit, dan moeten we concluderen dat Facebook meeschrijft aan ons virtuele levensverhaal. Maar wat als we identiteit opvatten als lichamelijke identiteit, zoals Merleau-Ponty deed? We begeven ons zonder ons doorleefde lichaam in de virtuele wereld: het lichaam dat we zijn is immers niet aanwezig op sociale media, maar zit achter de computer of smartphone. Dat wil niet zeggen dat ons doorleefde lichaam in de virtuele wereld geen rol speelt. Uit onderzoek blijkt dat wij twee soorten informatie delen op sociale media: enerzijds delen of liken we bepaalde merken, films en evenementen en anderzijds laten we graag zien wat we allemaal meemaken: we hebben bijvoorbeeld een berg beklommen, een schitterend doelpunt gemaakt, of we zijn in de wolken met onze nieuwe hond. Met name deze ervaringen worden in de analoge wereld door het lichaam dat ik ben intens beleefd en vaak is dat ook precies de reden om ze te delen op sociale media.


Zo bezien kun je sociale media opvatten als een uitbreiding van ons narratieve zelfbeeld, waarbij ons lichaam het ankerpunt is waarin de ervaringen die aan dat zelfbeeld ten grondslag liggen tot stand komen. Door het plaatsen van foto’s, video’s en teksten laten we onszelf zien in de virtuele ruimte, zoals we ons in de analoge wereld laten zien door onze zichtbare buitenkant te presenteren via ons biologische lichaam (de kleren die je aanhebt, de auto die je rijdt) en via taal (door te spreken, schrijven en door lichaamstaal).

In tegenstelling tot wat wij over onszelf vertellen in de analoge wereld, lijken sociale media echter onze neiging tot objectiveren en kwantificeren in de hand te werken: niet alleen de doorleefde ervaringen zelf zijn belangrijk, maar ook de hoeveelheid likes die we krijgen, de hoeveelheid volgers die we hebben en de uniciteit van de ervaringen die we delen. Sociale media maken het mogelijk om ons te spiegelen aan een reusachtige hoeveelheid andere profielen en om onze prestaties te vergelijken met die van honderden anderen. Door de werking van sociale netwerksites zoals Facebook en Instagram worden we beloond met likes en reacties, waardoor de aandacht al snel verschuift van de gebeurtenis naar de reacties.


Deze neiging tot objectiveren en kwantificeren wordt misschien wel het duidelijkst bij sportprestaties, die massaal gedeeld worden op sociale media. We laten daarmee aan anderen zien hoe ver, hoe hard en hoe vaak we hardgelopen of gefietst hebben. De doorleefde ervaring (de zon op je huid, de wind in je haren en de vermoeidheid die langzaam overging in een voldaan gevoel) wordt daarmee onmiddellijk geobjectiveerd (80,8 km, met een gemiddelde snelheid van 28,6 km per uur en 1.257 verbrande calorieën). Het lichaam dat we op sociale media tonen is dus in de eerste plaats ons geobjectiveerde lichaam. We willen op sociale media dus wel het lichaam tonen dat we zijn, maar het lukt ons niet altijd, omdat we zoveel nadruk leggen op het lichaam dat zich laat onderzoeken, kwantificeren en vergelijken.


Ten slotte gaan we ons door sociale media ook steeds meer identificeren met die geobjectiveerde buitenkant. Zo gaan we buiten Facebook en Instagram de wereld steeds meer bekijken door een bril van potentiële likes. Velen van ons zijn voortdurend op zoek naar ervaringen die het waard zijn gedeeld te worden op sociale media. Daarnaast vragen we ons steeds vaker af hoe de dingen die we doen over zullen komen in de virtuele wereld. Ten slotte kan de doorleefde ervaring, die aan de basis van onze berichten ligt, zelfs helemaal teniet worden gedaan, als we niet genoeg likes krijgen van onze volgers. Om dit te illustreren citeer ik hier uit het artikel ‘How to appear authentic in a digital world’, waarin Moos haar eigen Instagram-profiel analyseert:

I edit certain photos by adding a filter to create contrast and that would appeal to the colder months of the year, but ironically I’m more relaxed about the number of likes my photographs get as opposed to how my feed used to look when I first started using Instagram.

Hoewel we volgens Merleau-Ponty het lichaam zijn dat we hebben lijken we ons dus op sociale media steeds meer te identificeren met het laatste perspectief, dat van het geobjectiveerde lichaam. Dit zou wel eens de reden kunnen zijn dat sommige mensen een laag zelfbeeld of een verstoord lichaamsbeeld ontwikkelen, of zelfs depressief worden, door hun sociale mediagebruik. Zoals men in de vijftiende eeuw voor het eerst naar zichzelf keek via de glasspiegel, zou kijken wij in de eenentwintigste eeuw voor het eerst naar onszelf via onze sociale-mediaprofielen en wat we zien bevalt ons niet altijd: we hebben te weinig volgers, krijgen te weinig likes, of de vergelijking met andere profielen pakt, in onze eigen ogen, negatief uit. Sociale media hebben daarmee invloed op ons zelfbeeld en op onze – narratieve en lichamelijke – identiteit.


Aan het einde van haar artikel stelt Moos een indringende vraag: “Online we portray ourselves how we wish others to see us - but who are we in reality?” Het antwoord ligt al besloten in de vraag: wat we zijn in reality wordt mede bepaald door wat we over onszelf vertellen, en dus door de manier waarop we onszelf online portretteren. Hoe meer ons doorleefde lichaam op sociale media buiten beeld raakt, hoe meer wie we in werkelijkheid zijn overeenkomt met hoe we willen dat anderen ons zien.

Literatuurverwijzingen

  • E.I. Müller, ‘Verstoord lichaamsbeeld: een cultuurhistorische vergelijking tussen de glasziekte en de morfodysfore stoornis’, in: Tijdschrift voor Psychiatrie 59 (2017) 12, 759-766, aldaar 763.
  • Müller, ‘Verstoord lichaamsbeeld’, 760-764.
  • Zie ook: Miah Moos, ‘How to appear authentic in a digital world’, in: Diggit magazine, 30 maart 2018, laatst geraadpleegd 18-09-2018
  • Zie bijvoorbeeld Leon de Bruin e.a., Ik. Filosofie van het zelf (Amsterdam 2017) 105-136.
  • Marya Schechtman, ‘Het karakteriseringsvraagstuk’, in: Leon de Bruin e.a., Ik. Filosofie van het zelf, 60-62, aldaar 60.
  • Marya Schechtman, The Constitution of Selves (New York 1996) 96-97.
  • https://www.annemiekvanvleuten.nl/nieuws/annemiek/eerste-25-jaar/
  • Zie bijvoorbeeld Lynne Rudder Baker, ‘Onszelf begrijpen: zelfnarratieven en persoonlijke identiteit’, in: Leon de Bruin e.a., Ik. Filosofie van het zelf, 63-64.
  • Dermot Moran, ‘Husserl, Sartre and Merleau-Ponty on Embodiment, Touch and the “Double Sensation” ‘, in: Katherine J. Morris (red.), Sartre on the Body (Oxford 2010) 41-66.
  • Moos, ‘How to appear authentic in a digital world’.

Over de auteur

Femke Kok is filosoof en werkt als universitair docent aan de opleiding Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Haar huidige onderzoek richt zich op de filosofie van het ouder worden.

© 2018 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS | Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl