De rode loop: corona van de 18de eeuw?

Jos H. Pouls

Publicatiedatum: 13 mei 2020

Een voorrecht zou ik het niet willen noemen, maar bijzonder is het wel: in deze maanden wonen in Peel en Maas. Veel harder dan in deze gemeente heeft het corona-virus in Nederland nergens toegeslagen. De afgelopen weken is vrijwel dagelijks iemand gestorven aan het virus in het dorp waar ik woon, Meijel. Sommigen daarvan kende ik goed, anderen enkel van naam en weer anderen slechts van hun woonadres. En dan zijn er de vele sterfgevallen in het verpleeghuis waar mijn partner werkt, een oord waar het virus al diverse dodelijke slachtoffers heeft gemaakt. Corona is me aldus dicht genaderd en hoewel nog niet behorend tot de risicoleeftijd, bezorgt de epidemie me best angstige momenten. Al vele weken mijd ik bijna angstvallig het contact met ‘de medemens’. Zelfs de (klein)kinderen mag of kun je eventjes nu niet zien. Welnu, als een aan huis gekluisterd cultuurhistoricus dwaalden mijn gedachten de afgelopen weken regelmatig af naar het verleden. Hoe gingen onze voorouders met dergelijke epidemieën om, specifiek in Meijel? Wat betekende een epidemie voor de lokale bevolking? Hieronder sta ik stil bij de voor zover bekend meest dodelijke epidemie uit de geschiedenis van mijn woonplaats. Vervolgens wordt deze uitbraak in een breder historisch perspectief geplaatst. Ik rond af met enkele reflecties bij de huidige pandemie.

Rode loop: de ergste ramp uit de Meijelse geschiedenis

Na een lange, droge zomer brak begin september 1747 in het Peeldorp Meijel de dysenterie uit. De plaag duurde ongeveer zes weken en trof vrijwel alle families van het op een zanderige hoogte gelegen gehucht. Zieken stierven vaak al binnen enkele dagen.

Bacillaire dysenterie was een ziekte die leidde tot ernstige ontsteking van dikke darm en lever. Getroffenen hadden een wit uitgeslagen tong, buikkrampen, hoge koorts, diarree en bloed in de ontlasting (vandaar de naam waaronder de ziekte ook bekend staat: rode loop). Tientallen keren per dag liep slijmerige, dunne ontlasting bij de getroffenen weg, die zienderogen vermagerden en uitdroogden. Door totale verzwakking konden zij zich niet op de been houden. Hoewel sommigen dachten dat de oorzaak lag in het eten van witte kool en noten, vond besmetting plaats via vervuild water, ontlasting en direct menselijk contact.

Alleen al in september 1747 maakte de dysenterie in Meijel 72 slachtoffers; daaronder volwassenen maar vooral heel veel jonge (want zwakke) kinderen. Op een totale bevolking van ongeveer 500 mensen was dat ongekend. Normaal stierven in Meijel 10 tot 20 mensen per jaar, maar in 1747 waren dat er liefst 93, ofwel zo’n 80 doden extra, circa 15% van de bevolking. In veel gezinnen waren meerdere doden te betreuren, wat logisch was gezien de zeer besmettelijke aard van de ziekte en de slechte hygiëne in de kleine boerenhuisjes. [1] Omliggende dorpen zoals Deurne en vooral Helden werden ook getroffen, maar toch duidelijk minder dan Meijel. Dit kan verklaard worden uit het feit dat de Meijelsen relatief arm waren en waarschijnlijk slecht gevoed, zeker na de droge zomer. Goede medicijnen bestonden niet - wel kruiden en andere middeltjes - en een dokter was er niet in Meijel; die zou pas in de loop van de 19de eeuw komen.

Hoewel we geen directe getuigenissen hebben, moet de angst onder de bevolking gigantisch zijn geweest. Alle hoop was daarom gevestigd op hulp van God. In diens naam stelde de Meijelse pastoor Peter van Straelen voor om op bedevaart te gaan naar de Mariakapel in Panningen, dat circa 10 kilometer van Meijel was gelegen. Sinds de pest van 1636, één van de laatste pestepidemieën in deze streek, trokken mensen van heinde en verre naar de kapel van Panningen om er te bidden voor bescherming tegen besmettelijke ziektes.

Op 6 oktober 1747 trok een grote en wanhopige stoet Meijelsen in processie naar Panningen. Pastoor Van Straelen en kapelaan Hendrik Mannay leidden de menigte. Onderweg werd volop gebeden. De dorpelingen hadden een grote kaars bij zich, die als smeekbede werd aangestoken bij het miraculeuze Mariabeeld. De toornige God moest namelijk gunstig worden gestemd en de Maagd Maria was degene die daarbij kon bemiddelen. En jawel, de buikloop nam in de weken daarna duidelijk af. Dit deden pastoor Van Straelen en zijn kapelaan uitroepen dat het gebed was verhoord en dat er hier sprake was van een wonder. Om dat te bevestigen, ondertekenden ze een attestatio miraculi, een ‘getuigenis van een wonder’, waarin ze plechtig verklaarden dat er sprake was geweest van een mirakel. Historisch staat vast dat vanaf 11 oktober het aantal Meijelse slachtoffers inderdaad fors afnam; na 6 oktober overleden nog 12 dorpelingen. Echter, evenals nu verliepen epidemieën toen volgens een golfbeweging en het hoogtepunt daarvan lag in september. Uit eerdere epidemieën was dat destijds onder medici bekend, maar het is onwaarschijnlijk dat de eenvoudige dorpelingen daarvan op de hoogte waren. En of de beide geestelijken beter wisten?

Jules Breton (1827-1906), Het zegenen van het koren in Artois, 1857, olieverf op doek, 128 x 318 cm (coll. Musée d’Orsay, bruikleen Musée des Beaux-Arts d'Arras).

Het enorme schilderij werd in 1857 gepresenteerd op de Salon van Parijs, samen met Millet’s Arenleesters. De voorstelling verbeeldt het zegenen van de oogstrijpe gewassen in de omgeving van het Noord-Franse Courrières, de geboorteplaats van de maker. Hoewel op dit schilderij geen bedevaart wordt afgebeeld maar een sacramentsprocessie door het Noord-Franse landschap, geeft het een impressie van hoe de Meijelse optocht naar de Mariakapel in Panningen er ongeveer uitgezien kan hebben. Echter, ongetwijfeld oogde de Meijelse processie veel soberder en ook somberder dan deze.

Dysenterie in de 18de eeuw

De hiervoor beschreven ramp in Meijel was zeker geen uitzondering, hoewel het aantal doden er wel extreem hoog was. Vooral in de 18de eeuw zaaide de rode loop - ook ‘bloedloop’ of ‘persloop’ genoemd - dood en verderf in vooral Zuid- en Oost-Nederland. In 1702 verloor garnizoensstad Venlo meer dan 10% van haar bevolking aan de epidemie en in 1779 stierven in Weert meer dan 1000 burgers aan de rode loop; in 1736 werden Nijmegen en Kampen getroffen, in 1747 Zwolle en grote delen van Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, in 1750 Friesland en Overijssel, in 1779 Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant. Voor Gelderland was 1783 wederom een goed ‘oogstjaar’ van de rode loop.

Een factor die tijdens het Ancien Regime van groot belang was voor het ontstaan en verspreiding van de ziekte, waren militaire verplaatsingen. Niet voor niets werd dysenterie vaak ‘de soldatenziekte’ genoemd. Soldaten droegen niet enkel bij aan de verspreiding, maar hun aanwezigheid zorgde vooral in de arme, zanderige gebieden van zuid- en oost-Nederland vaak voor voedseltekorten waarvan vooral de lokale bevolking het slachtoffer werd. Honger leidde namelijk tot afnemende weerstand waardoor mensen bijzonder vatbaar werden voor de ziekte. Vooral in de herfst trok de rode loop een dodelijk spoor van dorp naar dorp en van stad naar stad. Historische demografen kunnen op basis van de lokale mortaliteitscijfers de epidemie vaak exact volgen in het landschap. Uitbraken vonden vooral plaats na droge zomers omdat die leidden tot een tekort aan vers water.

Mogelijkheden om de ziekte te bestrijden, bestonden er in de 18de eeuw nauwelijks. Opname in een ziekenhuis kwam weinig voor en een crisisteam dat zoals nu het outbreak management team de ontwikkelingen van dag tot dag bijstuurde, was destijds onbestaanbaar. Het principe van besmetting via contact was zeker bekend gezien de maatregelen bij uitbraak en ook besefte men terdege dat het belangrijk was om hygiëne in acht te nemen en zieken veel te laten drinken. De sanitair-hygiënisch structuur was destijds echter deplorabel. Artsen waren er nauwelijks op het platteland en goede medicatie ontbrak (pas in de 20ste eeuw werd antibiotica uitgevonden). Wel zijn er enkele contemporaine studies over dysenterie bekend die het inzicht over de ziekte hebben vergroot. Duidelijk is dat vooral de fysiek zwakkeren - kinderen en ouderen - werden getroffen door de rode loop. Meer in algemene zin ging het om het arme segment van de bevolking dat vaak slecht gevoed was en daardoor weinig weerstand had tegen de ziekte. Het enige wat restte was het wachten op de winter die de epidemie gewoonlijk deed uitdoven, of, zoals we hiervoor hebben gezien, het aankloppen bij de kerkelijke overheid. Veel bidden en boete doen dus en soms op bedevaart gaan naar plaatsen en daar smeken om verlossing.

In de huidige kerk van Panningen bevindt zich in een aparte kapel nog steeds het miraculeuze Mariabeeld. De houten sculptuur is gesneden in een wat volkse stijl. Het hoogtepunt van de Maria-devotie van Panningen lag in de 18de eeuw, maar nog steeds bestaat er een bescheiden Mariadevotie, gezien de kaarsen die er branden. Anders dan in de 18de eeuw heeft de corona-epidemie niet geleid tot extra toeloop. (foto auteur)

Arnold Böcklin, De pest, tempera op paneel, 1898, 145 x 105 cm, Kunstmuseum Basel.

Algemeen wordt aangenomen dat de pestepidemie van 1347 tot 1351 de meest dodelijke epidemie uit de Europese geschiedenis is geweest. Het betrof de builenpest, een ziekte die gekenmerkt werd door lymfeklierzwellingen, koorts en hoofdpijn. De pest werd overgebracht door met name rattenvlooien. De ziekte verspreidde zich in vier jaar tijd vanaf Sicilië naar de rest van Europa en maakte miljoenen slachtoffers, ongeveer één-derde van de toenmalige bevolking (‘Zwarte Dood’). In Nederland kwam in de 17de eeuw een einde aan de grote pestepidemieën.

Net als corona nu, zorgde de rode loop voor een totale ontwrichting van de samenleving. Mensen en bestuurders waren in de 18de eeuw in alle staten. Sterfgevallen moesten binnen 24 worden gemeld aan buren en magistraat en ook moesten de bewoners van besmette huizen binnen blijven. Buren mochten voedsel en drinken bij de deur zetten, maar het besmette huis niet betreden. Kerk- en schoolbezoek was uit den boze. Verder moesten de doden ’s morgens vroeg worden begraven op minstens 1,5 meter diepte en in de kleding waarin ze gestorven waren, snel en onder minimale aanwezigheid van familie. Het zijn allemaal maatregelen die sterk herinneren aan de actuele ‘lock down’. Behalve in medisch opzicht, lijkt in drie eeuwen weinig te zijn veranderd.

Matthias van Geuns, titelpagina van zijn studie De heerschende persloop uit 1784.

Matthias van Geuns over de rode loop.

De bekendste Nederlandse studie over dysenterie uit de 18de eeuw is het lijvige boek van de vooruitstrevende, Harderwijkse hoogleraar geneeskunde Matthias van Geuns (1735-1817): ‘De heerschende persloop die in de laatste jaren, vooral in 1783, de provincie van Gelderland fel getroffen heeft’. Zijn boek bevat niet enkel een gedegen analyse van de kenmerken van de ziekte maar ook adviezen om de zieken te ondersteunen met drankjes op basis van plantenextracten. Ook voor de ziekenverzorgers had Van Geuns een aantal verstandige en nuchtere adviezen, zoals het regelmatig vervangen van hun kleding, het veelvuldig wassen van de handen, het goed luchten van de kamer waar de zieke lag en het zoveel mogelijk vermijden van fysiek contact. Vooral van de ontlasting moesten ze zich verre houden. Tenslotte moesten de verzorgers zelf ook contact met andere personen mijden omdat ze dan de ziekte konden overbrengen.

Tenslotte

Terug nu naar de actualiteit in Meijel. De afgelopen dagen was het hier angstvallig stil. Nieuwe slachtoffers blijven uit (situatie 26 april). Ook in het verpleeghuis van mijn echtgenote lijkt het ergste voorbij en komen nieuwe bewoners de lege kamers alweer opvullen. Is het de spreekwoordelijke stilte voor de storm? Of is de corona-piek voorbij en kunnen we opgelucht ademhalen?

Vergeleken met de dysenterieplagen is het aantal slachtoffers van corona erg bescheiden. De rode loop betekende in 1747 het einde voor 15 procent van de Meijelse bevolking. Bij corona is de mortaliteit daarentegen hooguit één procent. De gemiddelde leeftijd van de slachtoffers is nu ook veel hoger.

Toch zijn er ‘profeten’ die beweren dat het nooit meer zal worden zoals vroeger en dat ‘Corona 2020’ een enorme cesuur zal blijken, een totale reset van de samenleving. Maar of ze gelijk hebben? Wat mij betreft hoeft het niet meer te worden zoals ‘vroeger’. De hectiek, een leven dat getekend wordt door overvolle agenda’s en uitnodigt tot ongebreidelde consumptiedrang en verspilling, tot reizen naar alle uithoeken van de wereld, hoe geweldig zou het toch zijn indien we die wereld dankzij corona enigszins achter ons zouden kunnen laten? Dit zou pas echt een wonder zijn…

Noten

[1] Genoemd kan worden het gezin van Jan Gerits en Jenneke Lenders: naast de beide ouders stierf één dochter; drie kinderen van respectievelijk 10, 13 en 15 jaar overleefden maar werden wel plotsklaps wees. Op 14 december 1747 werd het huis van Jan Gerits en zijn vrouw verkocht aan een familielid onder de voorwaarde dat hij de drie wezen zou opnemen en onderhouden alsof het zijn ‘eigen kinderen’ waren.

Bibliografie

  • Broek, Hans van den, Koorts en honger (Deurne 2010).
  • Dings, Marcel, ‘Een dysenterie-epidemie in 1702’, Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek 9 (1986) nr.1, 1-9.
  • Eerenbeemt, H.F.J.M. van der, ‘De 'rode dood' in Stad en Meijerij van 's-Hertogenbosch; een dysenterie-epidemie in de jaren 1779-1793’, Economisch- en Sociaal Historisch Jaarboek 36 (’s-Gravenhage 1973).
  • Glasbergen, Joop en Rob Verhallen, ‘De rode loop. Een besmettelijke ziekte in 1779’, Drijehornickels 25 (2016) nr. 3, 8-11.
  • Kappelhof, A.C.M., ‘Pest en rode loop in de Baronie van Breda in de tweede helft van de 17de eeuw (1660-1680)’, Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige Kring van Stad en Land van Breda ‘De Oranjeboom’ 26 ([Breda] 1973) 75-90.
  • Kluit, J. van der De rode loop (Zutphen 1995).
  • Pouls, Jos, Henk Willems en Herman Crompvoets (red.), Meijel, bijzonder dorp in de Peel (Meijel 2010) met name 98-104.
  • Website: https://www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/609 (4 mei 2020).

Over de auteur

Jos Pouls is sinds 1984 als kunst- en cultuurhistoricus verbonden aan de Open Universiteit. In 2002 promoveerde hij op een dissertatie over de moderne kerkelijke kunst van Limburg. Sindsdien verricht hij onderzoek naar allerlei onderwerpen die hiermee verband houden; momenteel zijn dat de rond 1825 in Rome actieve beeldhouwer Mathieu Kessels en Aktion im Moor, een performance uit 1971 van Joseph Beuys. Voor nadere info zie: www.jospouls.nl

© 2020 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl