Prachtig overzicht van de
Meester van Elsloo

Jos H. Pouls

Publicatiedatum: 3 april 2019

Expositie in Bonnefantenmuseum illustreert de deconstructie van een middeleeuwse meester

‘Authenticiteit’ is samen met ‘originaliteit’ misschien wel hét kernbegrip in de moderne kunstwaardering. Het ‘echte’ kunstwerk heeft een aura. Een kopie – ook al is die perfect – is fake. Neem het voorbeeld van het schilderijtje van een café-interieur dat onlangs uit een erfenis in het bezit kwam van het Van Gogh Huis in het Drentse Veenoord, en waarvan sommigen denken dat het een ‘authentieke Van Gogh’ is. Als het daadwerkelijk authentiek is, dan is het werkje enkele miljoenen waard; zo niet, dan gaat het om hoogstens een paar honderd euro. Het onderzoek door het Van Gogh Museum loopt nog, maar de kans op een echte Van Gogh lijkt voorlopig erg beperkt.

In de middeleeuwse kunst waren ‘authenticiteit’ en ‘originaliteit’ geen bepalende criteria. Veeleer ging het om vakmanschap en de duurte van de gebruikte materialen. De standaard was de atelierpraktijk, waarbij onder leiding van een meester werd samengewerkt aan het kunstwerk, zonder acht te slaan op de vraag wie welk onderdeel had gemaakt – als het eindresultaat maar voldeed aan de verwachtingen van de opdrachtgever. Dit nam niet weg dat sommige meesters gewilder waren dan andere, en ateliers regelmatig bepaalde composities of modellen ‘uitvonden’ en vervolgens ook claimden, met name om financiële redenen.

Meester van Elsloo

Hoewel minder bekend dan het Rembrandt Research Project of – meer recent – het Bosch Research and Conservation Project, is het onderzoek naar de zogenaamde Meester van Elsloo één van de boeiendste onderzoekcases naar kunstpraktijken in vroegere eeuwen. Deze Meester was een beeldhouwer die ongeveer tussen1475 en 1540 actief was in het gebied tussen Maas en Rijn. Diens beelden zijn verspreid over kerken in Nederlands-Limburg, Belgisch-Limburg en het Duitse grensgebied, en betreffen veelal fraaie en artistiek buitengewoon interessante sculpturen van eikenhout. De naam Meester van Elsloo werd in 1940 bedacht door de jonge Sittardse kunsthistoricus (later museumdirecteur en hoogleraar) Zef Timmers (1907-1996). Op basis van stilistische overeenkomsten tussen vijf beelden, waaronder een Sint-Anna-te-Drieën uit de Augustinuskerk in het Nederlandse Elsloo, stelde Timmers in een artikel in Oud-Holland de naam Meester van Elsloo voor. Op die manier gaf hij een onbekende kunstenaar een identiteit, iets dat in de kunstgeschiedenis vaak wordt gedaan om verwant werk van anonieme kunstenaars te classificeren.

Meester van Elsloo?, Sint Anna te Drieën, Sint Augustinuskerk, Elsloo (foto auteur)

Tronende Sint Petrus, Victoria and Albert Museum, Londen (foto auteur)

Timmers zag vooral overeenkomsten in de speelsheid van het Jezuskind, de sierlijke en enigszinsgekunstelde figuren, weelderige haardracht, opvallend ovale gezichten, rijke plooival en spichtige vingers. Waarschijnlijk was de Meester van Elsloo van Duitse origine of stond hij onder Duitse invloed, aldus Timmers, die in zijn artikel meteen al de vraag stelde waar kunsthistorici nu al tachtig jaar mee worstelen: ‘Moge vroeg of laat een historie-bron de identiteit vaststellen van dezen kunstenaar van beteekenis’.

In de decennia volgend op het artikel van Timmers, werden steeds meer beelden aan de Meester van Elsloo toegeschreven. Dat gebeurde door Timmers zelf, maar ook door anderen op basis van stilistische argumenten en zonder gedegen historische bewijzen (uit de periode rond 1500 bestaan die nauwelijks). Omstreeks 1970 was het oeuvre van de Meester van Elsloo daardoor uitgedijd tot ruim tweehonderd beelden. Daarmee was hij zonder twijfel de belangrijkste beeldhouwer van het gebied tussen Maas en Rijn van omstreeks 1525.


Met name Zuid-Nederlandse kunsthistorici hebben zich al die tijd het hoofd gebroken over de vraag wie de Meester van Elsloo nu was en waar zijn atelier was gevestigd. Men wilde hoe dan ook een echte identiteit, een mens van vlees en bloed, kunnen verbinden aan al die fraaie kunstwerken. Er ontstonden diverse theorieën en er werden allerlei veronderstellingen geuit. Tunnelvisie was daarbij niet vreemd. Het grote neogotische atelier van Pierre Cuypers in Roermond fungeerde daarbij – deels onbewust – als referentie.


Vanwege de geografische verspreiding van de Elsloo-beelden en het gegeven dat de Anna-te-Drieën uit Elsloo oorspronkelijk zou hebben gestaan in de Munsterkerk in Roermond, spande omstreeks 1970 het net zich rond de identiteit en vestigingsplaats van het atelier. Het grote en veelzijdige atelier was in die stad gevestigd en werd gedreven door een meester samen met diverse bekwame assistenten. Toen archivaris Gerard Venner in Roermondse archieven ook nog stuitte op de naam ‘Johan van Oel den bildesnider’, woonachtig in de Minderbroederstraat en actief rond 1500, leek het bewijs geleverd en werd de cirkel rondgemaakt: Johan van Oel was de Meester van Elsloo! Hoewel soms nog voorzien van een vraagteken, werd die naam op exposities sindsdien vaak genoemd als die van de Meester van Elsloo. Van Oel was daarmee de tegenhanger van de grote Tilman Riemenschneider (ca. 1460-1531) in Zuid-Duitsland en – dichterbij – van Jan van Steffeswert (ca.1460-ca.1530) uit Maastricht, een beeldhouwer die zijn werk gewoonlijk wél signeerde, maar die volgens Timmers artistiek de mindere was van de Elsloo-meester. Inmiddels waren er door onderzoekers nog meer noodnamen van beeldhouwers geïntroduceerd, die in dezelfde regio en dezelfde jaren werkzaam waren geweest. Zo werd in een archief in Venlo een beeldhouwer aangetroffen met één met zekerheid bekend werk: Kersten Woyers met een Katharina van Alexandrië, gesneden in 1494. In het nabije Belgisch-Limburg was al veel eerder de ‘Meester van Neeroeteren’ ontdekt, die vooral beelden voor de plaatselijke Lambertuskerk had gemaakt, en in het Duitse grensgebied was reeds in 1911 de ‘Meester van Siersdorf’ geboekstaafd. Alle drie de oeuvres waren stilistisch verwant aan het Elsloo-oeuvre, maar omdat kunsthistorici in de drie landen een eng-nationaal onderzoeksperspectief hanteerden (de huidige landsgrenzen bestonden rond 1500 niet) werd pas in de jaren 1950 en 1960 de these geopperd dat het om een en dezelfde meester c.q. atelier zou kunnen gaan, actief in de gehele Euregio.

Terug nu naar Johan van Oel uit Roermond. Na de aanvankelijke euforie, riep diens gelijkstelling aan de Meester van Elsloo al snel vragen op. Het grote probleem was dat geen enkel beeld van Van Oel met zekerheid bekend was en Roermond destijds bovendien een relatief kleine stad was. Waren daar en in de omgeving wel voldoende opdrachtgevers geweest? De twijfels waren omstreeks 2000 zo groot geworden, dat werd geopperd dat de Meester van Elsloo mogelijk niet meer was dan een kunsthistorische vergaarbak en misschien wel nooit had bestaan.

Mede op initiatief van conservator Peter te Poel van het Bonnefantenmuseum, werd in 2010 en 2011 het Belgische deel van het oeuvre van de Meester van Elsloo – 74 beelden – stilistisch en materieel-technisch onderzocht door een team van het Belgische Koninklijk Instituut voor het Kunstmatrimonium (KIK), met steun van deskundigen uit Nederland, Duitsland en Engeland. Het project hield onder meer in dat er nieuw onderzoek werd gedaan in kerkelijke archieven van omstreeks 1500. Het gebrek aan bruikbare archivalische bronnen is en blijft echter de grootste hindernis bij de zoektocht naar de identiteit van de meester, ook ná het KIK-onderzoek. Verder werden alle beelden systematisch gefotografeerd, wat een degelijke basis vormde voor nauwgezette stijlanalytische vergelijking. Ten slotte vond uitvoerig onderzoek plaats naar de herkomst van het gebruikte hout, naar werkbanksporen en naar verflagen, en werd tevens dendrochronologisch onderzoek uitgevoerd.Van alle beelden werden vervolgens de gegevens geïnventariseerd en onderling vergeleken. De uitkomst van het onderzoek was dat de these van één groot atelier, dat van de Meester van Elsloo, definitief vaarwel moest worden gezegd; de mythe was voorbij. Er waren teveel onderzoeksuitkomsten die deze these onmogelijk maakten. De Meester van Elsloo is waarschijnlijk niet veel meer dan een ‘stijl’ geweest, die tussen 1490 en 1540 populair was onder diverse meesters uit het Maasland.

Kersten Woyers?, Sint Catharina van Alexandrië, Sint Gertrudiskerk, Lottum (foto auteur)

Gekruisigde Christus (detail), Sint Harlindis en Relindiskerk, Ellikom (B.)

(foto auteur)

Expositie ‘Van eenling tot verzameling’

Met die uitkomst in het achterhoofd, opende recent - op 22 februari 2019 - in het Bonnefantenmuseum in Maastricht de expositie De Meester van Elsloo - van eenling naar verzameling. Ruim vijftig fraai belichte beelden worden in vier zalen gepresenteerd. De nadruk ligt helemaal op de objecten zelf. Iedere bezoeker kan de sculpturen tot op enkele centimeters naderen en alle details bestuderen en onderling vergelijken. Daartoe wordt door de tentoonstellingsmakers ook nadrukkelijk opgeroepen. Van contextualisering is geen sprake; aan de belangrijke religieuze functie van de beelden wordt nauwelijks aandacht besteed. Het beeld dat de expositie oproept, is dat er rond 1500 in het Maasland diverse - mogelijk tientallen - kleinere ateliers beelden hebben gemaakt voor de regionale markt en dat die beelden stilistisch aan elkaar verwant zijn.

Als kritische bezoeker van de expositie is het lastig te bevatten dat zo lang is geopteerd voor het ene grote en allesbepalende atelier van de Meester van Elsloo. De verschillen tussen de beelden zijn daarvoor in alle opzichten veel te groot: qua compositie, in de uitwerking van de kleding, qua gezichtstypes, in de mate van verfijning en zeker ook qua anatomie (hoofden, vingers). Natuurlijk hebben de beelden vaak een eeuwenlange historie van aanpassing, restaureren, aflogen en opnieuw polychromeren meegemaakt, maar dan nog kan iedereen met enige visuele competentie vaststellen hoe verschillend de sculpturen zijn.


Het is echter ook duidelijk dat de vijf beelden waarmee Timmers in 1940 startte – de tentoonstelling opent daarmee – inderdaad wel erg veel op elkaar lijken. Diens oorspronkelijke ‘constructie’ dat ze van één hand zijn, is daarom nog steeds verleidelijk. Hoewel Timmers zelf ook heeft bijgedragen aan de uitbreiding van het Elsloo-oeuvre, stond hij tegelijkertijd kritisch tegenover allerlei toeschrijvingen door derden en meer dan eens heeft hij toeschrijvingen van hemzelf later weer ongedaan gemaakt. Het is hoe dan ook duidelijk dat de onderzoekers naar de Meester van Elsloo onvoldoende zelfkritiek hebben getoond en te veel ‘tunnelvisie’ hebben laten zien, ook met de kennis van nu.

Bezoekers van de tentoonstelling worden nadrukkelijk uitgenodigd om te stemmen over de vraag naar de identiteit en authenticiteit van de maker(s) van de geëxposeerde beelden. Deze oproep is enerzijds ongetwijfeld bedoeld als een speelse manier om de bezoekers zelf te laten kijken, maar anderzijds spreekt er ook iets van een zekere vertwijfeling uit: ‘wie het weet mag het zeggen…’.


Des te meer verrast het dat onderzoeker Cynthia Osiecki in de bij de tentoonstelling verschenen monografie toch weer een poging doet om het hoofdatelier te lokaliseren. Het zou niet in Roermond maar in het tien kilometer naar het westen gelegen abdijstadje Thorn gevestigd zijn geweest. De rijke en vanwege haar immorele leefstijl beruchte Eva van Isenburg, abdis van Thorn van 1486 tot 1531, had het patronaatsrecht over diverse kerken in de regio. Zeventien Elsloo-beelden worden door Osiecki direct met de abdij in verband gebracht; de hoogadellijke stiftdames zouden de opdrachtgevers van de Elsloo-beelden zijn geweest. De maker daarvan zou in dienst van de abdij zijn geweest. Waarlijk een interessante these, maar opnieuw is de bewijsvoering erg mager – elk hard bewijs ontbreekt – en kunnen tegen deze theorie diverse bezwaren worden ingebracht. Zo is het aantal uitzonderingen toch wel erg groot: het wemelt bijvoorbeeld van de Elsloo-beelden in kerken die geheel los stonden van de abdij.

Marianum, Museum Catharijneconvent,

Utrecht

Meester van Elsloo?, Sint Anna te Drieën, Sint Catharinakerk, Montfort (foto auteur)

Ten slotte

Terug nu naar het onderwerp waarmee deze bijdrage startte: het belang van artistieke authenticiteit en originaliteit. Is het werk van de Meester van Elsloo minder interessant nu we er geen ‘echte kunstenaar’ bij kunnen denken? Door de deconstructie van de meester is het hoe dan ook lastiger geworden om de bedoelingen van de maker in de beelden te kunnen ervaren. Het werk spreekt daardoor letterlijk minder tot de verbeelding. Welke bedoeling, misschien levensadem, heeft de maker in zijn beelden willen leggen? Wie toont zich in de beelden van de Meester van Elsloo als die niet bestaan heeft?


De tentoonstelling in Maastricht loopt nog tot 16 juni 2019. Een aanrader!

Literatuurverwijzingen

  • Ceulemans, C., R. Didier en J. Gerits, Laat-gotische beeldsnijkunst uit Limburg en grensland, tent.cat. Provinciaal Museum voor Religieuze Kunst (Sint-Truiden 1990).
  • Hendrikman, Lars, Cynthia Osiecki en Elizabeth Mattison, Meester van Elsloo. Van eenling tot verzameling (Zwolle en Maastricht 2019).
  • Hendriks, W. e.a., De Meester van Elsloo. Oppergelders beeldsnijder XVIe eeuw (Horst 1974).
  • Poel, P. te, ‘De wordingsgeschiedenis van een “meester”’ in: Famke Peters ed., A Masterly Hand. Interdisciplinary Research on the Late-Medieval Sculptor(s) Master of Elsloo in an International Perspective (Brussel 2013) 19-49.
  • Rutten, Chr., ‘Wil de echte Meester van Elsloo opstaan’, Het Belang van Limburg, 28 februari 2019.
  • Timmers, J.J.M., 'Een onbekend beeldsnijder der 16e eeuw: de "Meester van Elsloo”’, Oud-Holland. Journal for Art of the Low Countries 57 (1940) 75-79.
  • Venner, Gerard, ‘Op het spoor van de “Meester van Elsloo”’, De Maasgouw. Weekblad voor Limburgse Geschiedenis, Taal- en Letterkunde 99 (1980) 4-9.

Over de auteur

Jos Pouls is sinds 1984 als kunst- en cultuurhistoricus verbonden aan de Open Universiteit. In 2002 promoveerde hij op een dissertatie over de moderne kerkelijke kunst van Limburg. Sindsdien verricht hij onderzoek naar allerlei onderwerpen die hiermee verband houden; momenteel zijn dat de rond 1825 in Rome actieve beeldhouwer Mathieu Kessels en Aktion im Moor, een performance uit 1971 van Joseph Beuys. Voor nadere info zie: www.jospouls.nl

© 2019 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl