De lezer in
Frankenstein

Marieke Winkler

Publicatiedatum: 13 oktober 2018


Dit jaar viert Mary Shelley’s beroemde roman Frankenstein, or the Modern Prometheus zijn 200-jarige bestaan. Het tragische verhaal van het monster van Frankenstein blijft steeds nieuwe lezersgeneraties aanspreken en sinds de eerste publicatie in 1818 is het boek nooit uit druk geraakt. Veel studie is reeds verricht naar de verschillende lezersreacties en interpretaties van de roman. Welk beeld van de lezer treedt er in de roman zelf naar voren? En wat zegt dit beeld over het belang van het lezen, toen en nu?

Het monster van Frankenstein uit de gelijknamige film van James Whale (1931)

Een eigen wetenschappelijke canon

Het collectieve beeld van het monster van Frankenstein uit Mary Shelley’s klassieke spookverhaal is voor een belangrijk deel gebaseerd op de verfilming uit 1931. In de film, geregisseerd door James Whale (1889-1957), wordt het monster door de mad scientist dr. Frankenstein samengesteld uit de ledematen van opgegraven overledenen en met behulp van een geleide blikseminslag tot leven gewekt. Het resultaat is een angstwekkend, grof aan elkaar genaaid wezen, met een hoog voorhoofd en stalen pin door zijn nek. Al deze elementen, van de opgegraven doden en de blikseminslag tot de stalen pin, zijn echter ontsproten aan de verbeelding van de filmmaker. In het boek komen ze niet voor.

In Shelley’s versie is dr. Frankenstein (Victor) een zeer jonge, leergierige student die vlak voor hij zijn studie aanvangt zijn moeder verliest. Ver weg van zijn ouderlijk huis en in het gezelschap van slechts enkele, oudere natuurkundigen richt hij zich obsessief op de vraag of het mogelijk is dode materie tot leven te brengen. Geïnspireerd door het werk van de occulte schrijver Cornelius Agrippa (1486-1535), de Duitse filosoof Albertus Magnus (circa 1200-1280) en de arts-theoloog Paracelsus (1493-1541) zoekt Victor twee jaar lang naar het recept voor een levenselixer.

Frankenstein (1931) Trailer, James Whale

Het werk van Agrippa leert Victor al op dertienjarige leeftijd kennen, min of meer toevallig, in de kast van een herberg tijdens een plezieruitje met de familie. Hoewel de jonge Victor meteen gegrepen wordt door Agrippa’s uiteenzettingen over magie en godsdienst (‘A new light seemed to dawn upon my mind’), keurt zijn vader het werk meteen af: ‘Ah! Cornelius Agrippa! My dear Victor, do not waste your time upon this; it is sad trash.’ (p.22) Beter zou Victor zich verdiepen in de rationele theorieën van de moderne wetenschap. Wanneer Victor vier jaar later natuurfilosofie gaat studeren, ontlokken zijn literatuurvoorkeuren eenzelfde reactie bij zijn professoren die hem bezweren ‘every instant that you have wasted on those books is utterly and intirely lost.’ (p.29) Het feit echter dat de hooggeleerden, net als zijn vader, wel degelijk kennis lijken te hebben genomen van Agrippa, Magnus en Paracelsus, en zich er zo sterk vanaf keren, zorgt ervoor dat Victor het werk juist niet aan de kant legt. Sterker, de boeken blijven zijn verbeelding prikkelen; waar de specialistische wetenschapsbegrippen uit de colleges voor Victor doods en abstract blijven, voeden Aggripa’s zoektocht naar ‘de steen der wijzen’ en het universalisme van Magnus en Paracelsus juist zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Victor toont zich al met al een zeer eigengereide lezer, die tegenover de standaardwerken van de wetenschap – zoals de Histoire Naturelle van de Franse encyclopedist Comte de Buffon (1707-1788) die hij moet lezen – zijn eigen wetenschappelijke canon stelt.

Cornelis Agrippa

Pas wanneer hij professor Waldman ontmoet die zijn intellectuele helden niet afkeurt, raakt Victor gegrepen door de moderne denkers. Waldman maakt hem duidelijk dat de moderne, experimentele wetenschap misschien niet spreekt van wonderen zoals de oude denkers dat doen, maar dat zich in het laboratorium wel degelijk wonderen voordoen. Hoe anders is het opwekken van elektriciteit te noemen? Het is uiteindelijk de verbinding van de obscure en de moderne wetenschappelijke inzichten die Victor in staat stelt het recept te vinden om dode materie tot leven te wekken.

Revelerende literatuur

Hoe het monster met behulp van inzichten uit het werk van bovengenoemde denkers daadwerkelijk door Victor tot leven wordt gewekt, blijft in nevelen gehuld. Ook details over zijn vreselijke en angstwekkende uiterlijk zijn schaars. Hij is groot en afstotelijk, heeft gelige, soppige ogen en zwarte lippen, lezen we, maar veel meer laat de auteur eigenlijk niet los. Anders dan het collectieve beeld van de wraaklustige zombie blijkt het wezen uit de roman bovendien best fijngevoelig en intelligent. Na zijn conceptie maakt het monster ­– in de editie die ik las uit de Oxford World Classic’s-series vaak aangeduid als ‘the wretch’, de ellendeling – zich al snel de meest complexe menselijke handelingen eigen, waaronder het maken van vuur. Door het nauwkeurig observeren van enkele cottage-bewoners raakt het bovendien vertrouwd met de menselijke omgangsvormen. Hij leert emoties herkennen en zelfs de taal te spreken en te lezen.


Tijdens een van zijn nachtelijke wandeltochten op zoek naar plantaardig voedsel en hout treft het monster een reistas aan waarin behalve kledingstukken ook enkele boeken zitten. Het zijn niet de minste titels die hij als een ‘prize’ meesleept naar zijn schuilplaats. Het gaat om Paradise Lost, Plutarch’s Lives en Sorrows of Werter. Het effect van het lezen van deze boeken is niets minder dan een revelatie:

I can hardly describe to you the effect of these books. They produced in me an infinity of new images and feelings, that sometimes raised me to ecstasy, but more frequently sunk me in the lowest dejection. (p.103)

De drie boeken hebben zeer uiteenlopende effecten op zijn gemoed. Het lijden van de jonge Werther leert hem een heel nieuw palet aan gevoelens herkennen en toont hem vele, vaak tegenstrijdige manieren om daar mee om te gaan. Het boek maakt dat hij gaat reflecteren op zijn eigen gevoelens en positie. Hoewel hij de beschreven emoties herkent, voelt hij zich tegelijkertijd vreemd aan de mensen over wie hij leest en die hij in werkelijkheid observeert (en dankzij het boek beter begrijpt):

I sympathized with, and partly understood them, but was unformed in mind; I was dependent of none, and related to none. (…) My person was hideous, and my stature gigantic: what this did mean? Who was I? What was I? (p.104)

Het tweede boek, dat de door Plutarchus verzamelde en geschreven biografieën van nobele Grieken en Romeinen bevat, brengt hem in aanraking met de historische blik en verzet de zinnen van de persoonlijke emoties naar ‘high thoughts’. In de woorden van het monster: ‘he [Plutarchus, MW] elevated me above the wretched sphere of my own reflections, to admire and love the heroes of past ages’. Het politieke en maatschappelijk handelen van beschreven notabelen brengt hem ideeën over deugdzaamheid en moreel besef bij. Stelde Het lijden van de jonge Werther de vraag naar wat de mens is, het leven van Plutarchus leert hem hoe de mens zich deugdzaam beweegt tussen andere mensen.


Paradise Lost ten slotte plaatst de vraag naar zijn schepping op de voorgrond. Net zoals de andere boeken leest hij Paradise Lost als een waargebeurd verhaal. De kennis van het bestaan van God vervult hem met de grootst mogelijke gevoelens van ontzag en verwondering. Hij beziet Adam niet alleen als een perfect schepsel, maar ook als een wezen dat geliefd wordt door zijn schepper. Wie, vraagt hij zich af, is eigenlijk mijn schepper? Hoe vreselijk moet mijn voorkomen wel zijn dat mijn schepper zich van mij afkeerde? Zijn gevoelens van jaloezie voor de mensen, zo merkt hij, doen hem geloven dat niet God maar Satan zijn schepper is.

Victor Frankenstein keert zich van zijn creatie af (1831)

De cultiverende kracht van boeken (maar niet voor iedereen)

Hoe heftig het effect van de boeken ook is, en hoeveel vertwijfeling ze ook zaaien, ze vormen voor het monster van Frankenstein ongekende schatten (‘treasures’) en het bezitten ervan maakt hem trots en dankbaar. De verhalen brengen hem immers in aanraking met de meest elementaire vragen van het menselijk bestaan en leren hem om zijn emoties te herkennen. Het is dan ook na het lezen van de verhalen dat hij de moed verzamelt om op de mensen af te stappen. Helaas blijkt die ontmoeting veel minder aangenaam dan hij, op basis van zijn ervaring met de mensen in de boeken, had gehoopt. Wanneer de hutbewoners het monster in huis aantreffen valt een van hen direct flauw, de tweede vlucht het huis uit en de derde, ten slotte, gaat hem met een stok te lijf. Het overweldigende verdriet dat deze mislukte poging om contact te maken met de mensen bij het monster oproept, weerhoudt hem ervan om tot geweld over te gaan. In plaats daarvan keert hij zich van hen af en rent de bossen in op zoek naar een veilige schuilplaats. In ieder volgend contact met mensen wordt duidelijk dat het wezen, ondanks zijn uitgebreide kennis van de menselijke taal en gevoelens, buitengesloten blijft. Zijn tragische lot is dat de frustratie, eenzaamheid en woede die dit veroorzaakt, er uiteindelijk toe leidt dat hij wordt wat de mensen steeds in hem zien: een gewelddadig monster.


Het thema van de uitsluiting is door onderzoekers al veelvuldig in verband gebracht met klassenstrijd en het concept othering (het tot ‘anders’ en afwijkend bestempelen van iets of iemand om de eigen positie te bestendigen). In haar artikel ‘“The Nature of Otherness”: Class and Difference in Mary Shelley’s Frankenstein’ (1992) wees Margo V. Perkins bijvoorbeeld op de complexe positie van het monster, dat door zijn afwijkende uiterlijk wordt gemarginaliseerd en tegelijkertijd door zijn incorporatie van menselijke normen en waarden verbonden blijft aan de menselijke klasse:

At the same time that the monster is excluded from participation in human society, he is bound to it by virtue of his human values, desires and needs, which are continually denied expression because of his appearance. (p.27)

In ‘“Master of their language”: Education and Exile in Mary Shelley’s Frankenstein’ (2005) stelt John Bugg dat uitgerekend de taal uit de boeken de buitensluiting van het monster onderstreept. Het monster zoekt zijn maker op en confronteert hem met zijn absolute status van buitenstaander. Dit doet hij, aldus Bugg, door Victor Frankenstein te confronteren met de taal die deze uitsluiting teweeg brengt – en die het monster zich zo voorbeeldig eigen heeft gemaakt.


Betrekken we deze thematiek op het beeld van de lezer dat in Frankenstein naar voren treedt, dan zouden we kunnen stellen dat de cultiverende kracht van boeken niet voor iedereen is weggelegd. Victor vormt misschien een vreemde eend in de bijt met zijn voorkeuren voor occulte schrijvers, maar wordt niet verbannen uit de wetenschappelijke wereld. Het monster – hoe veel hoogstaande literatuur het ook leest en hoe hard het ook probeert zich aan te passen – zal nooit een plaats krijgen in de menselijke maatschappij. Om een uitstapje buiten de roman te maken: in deze uitsluiting is ook wel een analogie gesignaleerd met de positie van Mary Shelley als vrouw in het literaire landschap (zie o.a. Hoeveler 2003). Shelley publiceerde haar verhaal in eerste instantie noodgedwongen onder pseudoniem. Pas in de uitgave uit 1831 gebruikte zij haar eigen naam, waarna critici alsnog stelden dat niet zij, maar haar man, Percy Bysshe Shelley (1792-1822), de echte auteur van het boek was.

Dit roept de algemenere vraag op in hoeverre het lezen van literatuur behalve de beschreven emotionele of persoonlijke verheffing ook een sociale verheffing tot stand kan brengen. Voor het monster van Frankenstein wijzen de boeken hem uiteindelijk vooral op het bestaan van een inclusieve gemeenschap waartoe hij geen toegang heeft en ook nooit zal hebben.

Onder andere deze thematiek maakt Frankenstein opnieuw actueel. Het inclusieve dan wel exclusieve karakter van literatuur als cultureel medium is op dit moment een heet hangijzer binnen de literatuurwetenschap en letterkunde. Het gaat dan met name om de vraag wat wordt lezen: hoe representatief zijn de canonieke overzichten?

Unknown woman, formerly known as Mary Wollstonecraft Shelley by Samual John Stump (1831)

Is de blik van de geïnstitutionaliseerde literatuurbeschouwing niet te beperkt? En hoe kunnen al te Eurocentrische opvattingen van literatuur worden uitgebreid? Wat wordt er gelezen naast Goethe en Milton, worden die überhaupt nog gelezen buiten het onderwijs en door wie? Ook worden initiatieven ondernomen om de (beperkte) inclusiviteit van literatuur in kaart te brengen met als doel het bewustzijn rond dit onderwerp te vergroten. Een mooi voorbeeld van zo’n initiatief vormt de Personagebank. Vanuit de vraag ‘Hoe divers is de Nederlandse literatuur?’ roept dit project lezers op om mee te werken aan een ‘literaire volkstelling’. Waarbij natuurlijk ook weer geldt: welke lezers worden bereikt?

Slot

Frankenstein vormt niet alleen een interessante historische casus om verschillende functies en effecten van het lezen te onderzoeken. De receptie van de roman tot nu toe, inclusief de creatieve receptie, zou een mooie geschiedenis van het lezen kunnen opleveren waarbij aandacht kan worden besteed aan mechanismen van insluiting en uitsluiting en de veranderingen daarin. Het boek heeft zowel canonieke status verworven als een vaste plaats in de populaire (film)cultuur. En de aantrekkingskracht van het verhaal breidt nog immer uit. Zo verscheen eerder dit jaar de geannoteerde editie Frankenstein: Annotated for Scientists, Engineers, and Creators of All Kinds (2018). Hier wordt de roman gepresenteerd als verplichte literatuur voor onderzoekers uit de exacte wetenschapsgebieden, onder andere omdat het urgente vragen oproept omtrent de morele en ethische grenzen van de moderne wetenschap. Na 200 jaar lijkt Shelley’s roman te leven als nooit tevoren. Zo laat het tenslotte mooi zien dat er in ieder tijdsgewricht weer nieuwe lezers opstaan.

Literatuurverwijzingen

  • John Bugg, ‘“Master of their language”: Education and Exile in Mary Shelley’s Frankenstein’. In: Huntington Library Quarterly 68.4 (2005), 655-666.
  • Diane Long Hoeveler, ‘Frankenstein, Feminism and Literary Theory’. In: The Cambridge Companion to Mary Shelley. Cambridge: Cambrige University Press. 2003. 45-62.
  • Margot V. Perkins, ‘The Nature of Otherness’: Class and Difference in Mary Shelley’s Frankenstein’. In: Studies in Humanities 19.1 (1992), 27-42.
  • Sidney Perkowitz & Eddy Von Mueller (ed.), Frankenstein: How a Monster Became an Icon. New York: Pegasus Books. 2018.
  • Sidney Perkowitz, Frankenstein Turns 200 and Becomes Required Reading for Scientists. In: Los Angeles Review of Books, 9 July, 2018.
  • Mary Shelley, Frankenstein, or the Modern Prometheus. Oxford: Oxford University Press. 2001.

Over de auteur

Marieke Winkler is letterkundige en werkt als postdoc onderzoeker en docent bij de opleiding Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. Haar onderzoek richt zich op de wisselwerking tussen literatuur, literaire kritiek en (literatuur)wetenschap in Nederland.

© 2018 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl