De grensoverschrijdende netwerken van Johan Visscher in een Zuid-Afrikaanse propaganda-oorlog

André Paijmans

Publicatiedatum: 15 december 2020

In Nederland en in andere voormalige koloniale grootmachten staat het koloniale verleden meer dan ooit ter discussie. Zwarte Piet, het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn en de aanduiding van de zeventiende eeuw als de Gouden Eeuw hebben bij velen terecht hun jarenlange vanzelfsprekendheid verloren. In de discussie over ons koloniale verleden is er weinig aandacht voor Zuid-Afrika. [1] Zuid-Afrika behoorde formeel niet tot het Nederlandse koloniale rijk. Toch is de geschiedenis van dit land nauw verbonden met het Nederlandse koloniale verleden sinds Jan van Riebeeck in 1652 aan land kwam in de Tafelbaai. Op basis van een vermeende ‘stamverwantschap’ met de Afrikaners is in het verleden vanuit Nederland, ook nadat de Kaapkolonie in 1806 definitief in Britse handen viel, getracht invloed uit te oefenen op de gang van zaken in Zuid-Afrika, onder meer door de journalist Johan Visscher (1872-1945).

Johan Visscher emigreerde in 1895 naar Zuid-Afrika. Daarvoor was hij als journalist werkzaam bij het socialistische blad Recht voor Allen en actief in de socialistische beweging, die in Nederland aan het eind van de negentiende eeuw steeds meer voet aan de grond kreeg. In Zuid-Afrika maakte hij de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) mee en raakte als journalist bij het Afrikaner dagblad De Express betrokken bij de strijd van de Afrikaners tegen het Britse imperialisme. Na de Britse overwinning in de Boerenoorlog keerde hij terug naar Nederland. In Zuid-Afrika was het streven van Groot-Brittannië er na de Boerenoorlog op gericht Zuid-Afrika te ‘angliseren’. Dit stuitte op verzet bij de Afrikaner bevolking. Johan Visscher zou vanuit Nederland als journalist en publicist de Afrikaners blijven steunen in hun verzet.

Johan Visscher in 1940. Fotograaf onbekend. Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis Amsterdam.

In dit artikel ga ik in op de grensoverschrijdende netwerken waarin Visscher zich na zijn terugkeer naar Nederland bewoog. Hoe functioneerden deze netwerken, wat was zijn rol daarin en hoe wist hij zich te handhaven in de verschillende netwerken die onderling vaak tegengestelde belangen vertegenwoordigden? Door deze netwerken in kaart te brengen wordt een nieuw licht geworpen op de relatie tussen Nederland en Zuid-Afrika aan het begin van de twintigste eeuw. Ook geeft het een verbazingwekkend beeld van hoe een Nederlandse socialist en latere communist zich inzette voor een politieke zaak die na de Tweede Wereldoorlog zou evolueren naar het apartheidsregime. Hierna ga ik eerst in op het theoretisch kader op basis waarvan koloniale netwerken worden bestudeerd, daarna bespreek ik de netwerken van Johan Visscher.

Netwerken en de imperiale ruimte

Door de opkomst van de new imperial history in het Verenigd Koninkrijk aan het eind van de jaren tachtig kregen Britse historici belangstelling voor koloniale netwerken. Deze new imperal history brak met de traditionele historiografie door de onderzoeksfocus te verleggen van de koloniale metropool en haar instituties naar ontwikkelingen die mede plaatsvonden in de periferie (de kolonieën), en naar hoe metropool en periferie elkaar wederzijds beïnvloedden. Op deze manier worden metropool en kolonie niet – zoals voorheen – onafhankelijk van elkaar bestudeerd, maar in hun onderlinge relatie binnen één analytisch raamwerk. In deze benadering staat het door de historici Frederick Cooper en Ann Laura Stoler geïntroduceerde concept van de imperiale ruimte centraal. [2] Dit concept laat zich beschrijven als een dynamische ruimte waarin metropool en periferie elkaar beïnvloeden en vormen.

Het onderzoek naar (grensoverschrijdende) netwerken binnen de imperiale ruimte biedt vanuit een cultuurwetenschappelijke invalshoek vaak nieuwe inzichten in motieven en het handelen van actoren in het koloniale rijk die in de traditionele geschiedschrijving nog niet waren opgemerkt. Britse historici, waaronder David Lambert, Alan Lester en Zoë Laidlaw, hebben een significante bijdrage geleverd aan het onderzoek naar netwerken in het Britse koloniale rijk. [3] Met hun onderzoek werden nieuwe inzichten verkregen in processen van informatie-overdracht en ‘governance’ in het koloniale rijk. Deze inzichten bieden een andere kijk op het functioneren van dat rijk.

Hoewel Zuid-Afrika formeel geen deel uitmaakte van het Nederlandse koloniale rijk, kan er wel gesproken worden van een imperiale ruimte van Nederland en Zuid-Afrika vanwege het Nederlandse streven om de uit de zeventiende eeuw daterende Nederlandse cultuur en invloed in Zuid-Afrika te behouden en te vergroten. In de literatuur wordt dit over het algemeen beschouwd als informeel en cultureel imperialisme. [4]

Terug in Amsterdam

In 1902 keerde Johan Visscher na een verblijf van zeven jaar in Zuid-Afrika terug naar Nederland. [5] Zuid-Afrika zou hem voorlopig niet meer loslaten. Hij publiceerde talloze studies over het land, waaronder zijn in 1903 verschenen boek De ondergang van een wereld. Historisch-oeconomische studie over de oorzaken van den Anglo-Boer oorlog (1899-1902). [6] Visscher sprak hierin de hoop uit dat de Britse overheersing in Zuid-Afrika zou plaatsmaken voor een ‘tijdperk van staats-socialisme, ten troon verheven door de vereenigde krachten van arbeiders en Afrikaanders’. [7] Deze gedachte moet zijn Nederlandse socialistische partijgenoten hebben aangesproken, ware het niet dat Visscher benadrukte dat het niet de bedoeling was om deze troon te delen met de zwarte bevolking. Het ‘staats-socialisme’ dat hij voor ogen had was een exclusief wit socialisme dat aan zwarte arbeiders geen boodschap had. Met deze denkbeelden sloot Visscher aan bij het koloniale discours van de (witte) Afrikaner bevolking. De communis opinio onder hen was dat de oorspronkelijke bevolking slechts onder leiding van de witte kolonist tot een hoger stadium van menselijke ontwikkeling kon komen. [8] Visschers visie op ras en samenleving moet ook in 1903 bij menigeen de wenkbrauwen hebben doen fronsen, zeker in kringen van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP). Het is dan ook opmerkelijk dat zijn boek nota bene werd uitgegeven in de Sociale Bibliotheek-reeks, onder redactie van Pieter Jelles Troelstra en Henri Polak (de zogenaamde Troelstra-reeks, genoemd naar de socialistische voorman).

Politieke steun voor de Afrikaners was bepaald niet vanzelfsprekend voor veel Nederlandse socialisten. De socialisten hadden over het algemeen moeite zich te associëren met een zaak die in Nederland op grote steun mocht rekenen van de bourgeoisie, en ook het beeld van de grootgrondbezittende Afrikaner boer die de zwarte bevolking uitbuitte was uit oogpunt van internationale solidariteit met het proletariaat moeilijk te verdedigen. Daarnaast vonden de socialisten de kritiek op het Britse imperialisme in Zuid-Afrika hypocriet, gelet op de recente Nederlandse militaire interventies in Atjeh in koloniaal Indonesië. [9]

Dit alles weerhield Johan Visscher er echter niet van om in 1909 bij de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging (NZAV) te gaan werken als redacteur van het NZAV-periodiek Hollandsch Zuid-Afrika (HZA). De NZAV was in 1881 opgericht om de culturele banden tussen Zuid-Afrika en Nederland te promoten. In de praktijk was het streven echter primair gericht op het vergroten van de Nederlandse invloed en belangen in Zuid-Afrika. Volgens menig Nederlands socialist was dit streven dan ook net zo imperialistisch als dat van de in hun ogen ‘Britse roofkapitalisten’. [10]

Voorpagina van Hollandsch Zuid-Afrika, met afbeelding van Jan van Riebeeck om de ‘stamverwantschap’ tussen Nederlanders en Afrikaners te benadrukken. Zuid-Afrikahuis Amsterdam. https://zuid-afrikahuis.on.worldcat.org/oclc/905441869

De vorming van Visschers netwerken tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog

Begin 1915 verscheen in Hollandsch Zuid-Afrika het bericht dat Johan Visscher was benoemd tot ‘Vertegenwoordiger en Correspondent’ van De Burger in Nederland. [11] Deze nationalistische Afrikaner krant uit Kaapstad was gelieerd aan de zojuist opgerichte Nationale Partij, die zich inzette voor de verheffing van de door de Boerenoorlog verarmde Afrikaner bevolking in Zuid-Afrika. Een van de oprichters van De Burger was dominee Daniël Malan (1874-1959), die van 1948 tot 1954 als minister-president van Zuid-Afrika medeverantwoordelijk zou zijn voor de introductie van de apartheid.

Na zijn benoeming tot correspondent pakte Johan Visscher de zaken gelijk groot aan. De Burger wilde voor de nieuwsvoorziening uit Europa minder afhankelijk worden van het ‘almachtige’ Britse Reuters, dat volgens de krant het wereldnieuws eenzijdig pro-Brits inkleurde. Visscher richtte in Amsterdam zijn Zuid-Afrikaansch perskantoor op om de Afrikaner nationalistische pers, waaronder De Burger, van (Europees) nieuws te voorzien. Mede door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog amper een jaar eerder hechtte de Afrikaner nationalistische beweging groot belang aan een dergelijke eigen nieuwsvoorziening. Hoewel de Europese slagvelden in Zuid-Afrika ver weg waren, was de Eerste Wereldoorlog ook in zuidelijk Afrika een gamechanger. De Afrikaners roken hun kans zich te ontdoen van de knellende banden met het Britse Rijk, terwijl Duitsland door Zuid-Afrikaanse troepen op dringend verzoek van de Britse regering uit zijn kolonie Zuidwest-Afrika (het huidige Namibië) werd verdreven.

In het licht van deze gebeurtenissen vond in augustus 1915 twaalfduizend kilometer verderop in Amsterdam in het geheim een bijzondere ontmoeting plaats. De aankondiging in HZA dat Johan Visscher was benoemd tot correspondent van De Burger moet Hans Paul von Humboldt-Dachroeden (1857-1940), die als Duits vice-consul in Amsterdam was gestationeerd, niet zijn ontgaan. De twee bespraken hoe Visscher de Afrikaner pers op een meer ‘Deutschfreundliche’ wijze zou kunnen gaan informeren over de gang van zaken in Europa. Het beïnvloeden van de publieke opinie in Zuid-Afrika was voor Duitsland om verschillende redenen belangrijk. Mochten de oorlogskansen zich keren, dan was het van groot belang dat de meerderheid van de Afrikaners geen bezwaar zou hebben tegen Duitslands terugkeer naar Zuidwest-Afrika. In ieder geval moest worden voorkomen dat de voormalige Duitse kolonie na de oorlog definitief bij Zuid-Afrika (lees het Britse Rijk) zou worden ingelijfd. Een van de redenen hiervoor was dat Duitsland grote economische belangen had bij het beheer van de diamantvelden in de regio. [12]

Het neutrale Nederland, met zijn historische betrekkingen met de Afrikaners, was in de ogen van de Duitse diplomatieke dienst een uitstekend platform voor een onopvallend publiciteitsoffensief en Johan Visscher was – gezien zijn goede relaties met de Afrikaner nationalisten – hiervoor de juiste man op de juiste plaats. Het gesprek in Amsterdam zou het begin zijn van een langdurige en intensieve samenwerking die Visscher jarenlang een bedrag van driehonderd gulden per maand zou opleveren. De Poolse cultuurwetenschapper Pawel Zajas heeft onderzoek gedaan naar Duitse cultuurpropaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog en stuitte hierbij ook op Johan Visscher. [13] In de archieven van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn is het nodige te vinden over Visschers Duitse samenwerking. Dit staat in schril contrast met het uitgebreide persoonlijke archief van Visscher in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam, waarin vrijwel ieder spoor naar zijn Duitse avontuur ontbreekt. Deze constatering is veelzeggend. Voor de Nederlandse en Afrikaner netwerken van Visscher moest de samenwerking met de Duitse diplomatieke dienst geheim blijven.

De netwerken in de praktijk

Grafisch weergegeven zien de netwerken van Johan Visscher er in 1915 als volgt uit:

In deze voorstelling is Visscher als het ware een knooppunt tussen de verschillende netwerken waardoor informatie werd uitgewisseld. Hierdoor kon bijvoorbeeld de Duitse propaganda het netwerk van de Afrikaner nationalisten bereiken.

Visschers eerste wapenfeiten in het kader van de samenwerking met het Duitse consulaat waren veelbelovend. In zijn eerste rapportages aan Von Humboldt kon Johan Visscher melding maken van maar liefst vier opiniestukken (‘brieven’) die hij voor De Burger had geschreven over onderwerpen die betrekking hadden op Duitslands geopolitieke positie. [14] Zo berichtte Visscher bijvoorbeeld over de Britse overheersing op zee en de noodzaak dat deze door Duitsland zou worden gebroken. [15]

Vanuit het Duitse keizerlijk gezantschap in Den Haag werden Visschers activiteiten op de voet gevolgd. De Duitse gezant Richard von Kühlmann (1873-1948) speelde met de gedachte om binnen zijn organisatie een afdeling op te richten die zich volledig zou richten op de ‘südafrikanische Propaganda’. In een memorandum aan de rijkskanselier zette hij zijn plan uiteen, waarin hij onder meer overwoog in dit kader samenwerking te zoeken met ‘talrijke elementen die het verlies van Zuid-Afrika door Nederland nog niet te boven zijn gekomen en (…) betrekkingen met Zuid-Afrika onderhouden’. [16] Von Kühlmann vond voor de financiering van het project, dat onder de naam Hilfsstelle zou gaan opereren, al snel gehoor bij de staatssecretaris van het ministerie van Koloniën, Wilhelm Heinrich Solf, die via het Reichskolonialamt de benodigde financiële middelen regelde. [17]

De Hilfsstelle, die als afdeling organisatorisch onder het gezantschap viel, werd geleid door Fritz Wichert (1878-1951). Wichert beheerste door zijn huwelijk met de Nederlandse Margareta Brouwer de taal en beschikte over een uitgebreid netwerk van journalisten, politici en personen uit de wereld van kunst en cultuur. Daarnaast was Wichert directeur van de Mannheimer Kunsthalle, via welke instelling zijn salaris van het gezantschap onopvallend werd betaald. [18] Visscher ontmoette Wichert doorgaans twee keer per maand. De door Visscher geschreven artikelen werden dan besproken in het licht van de in bulletins uit Berlijn uitgevaardigde richtlijnen voor propaganda. Visscher kreeg ook de opdracht zijn contacten met de Afrikaner pers te intensiveren. In zijn persoonlijk archief vinden we een stapel acquisitiebrieven waarmee hij zijn persbureau introduceerde bij andere Afrikaner kranten. [19]

De acquisitie leverde het persbureau echter geen nieuwe opdrachtgevers op. Vermoedelijk was men beducht voor represailles van de pro-Britse Zuid-Afrikaanse regering als mocht blijken dat gebruik werd gemaakt van door Duitsland betaalde Europese correspondenten. [20] Frans Engelenburg, hoofdredacteur van de in Pretoria gevestigde krant De Volksstem, die van Johan Visscher ook een acquisitiebrief had ontvangen, sprak in antwoord hierop het vermoeden uit dat Visscher gelden werden aangeboden van ‘een (…) Engeland vijandige zijde’. [21] De signalen bereikten ook het bestuur van de NZAV. Visscher werd daarna per brief beleefd verzocht wat gas terug te nemen, waarop hij aangaf het allemaal niet zo bedoeld te hebben en ‘dat hij ook vond dat objectiviteit van groot belang was’. Het zou in ieder geval, mede door Visschers lenigheid van geest, nooit tot formele maatregelen van NZAV-zijde tegen hem leiden.

De afwijzingen uit Zuid-Afrika temperden Visschers ambities niet. In een memorandum aan Friedrich Rosen, de staatsecretaris van het Reichskolonialamt, zette hij uiteen hoe zijn persbureau als centraal verzamelpunt zou kunnen fungeren voor berichten van verschillende nationalistische groeperingen in het Britse Rijk. [22] Het persbureau zou deze berichten dan vervolgens distribueren naar nationalistische kranten in andere delen van het Rijk, met als doel de onrust verder op te stoken. Hierdoor zou het van binnenuit ondermijnd worden. Dit idee was voor Visscher niet nieuw. In zijn ‘brieven’ voor De Burger deed Visscher regelmatig verslag van opstand en rebellie elders in het Britse koloniale rijk. Artikelen over bijvoorbeeld de Ierse Paasopstand van 1916 deden het goed bij de lezers van De Burger. [23] Visscher verhaalde ook van rebellerende Egyptenaren en Frans-Canadezen uit Quebec en hun streven naar onafhankelijkheid van Groot-Brittannië. Uit de brieven blijkt steevast een groot politiek-strategisch inzicht dat hem ten dele moet zijn ingefluisterd door zijn Duitse opdrachtgevers. Een brief voor De Burger van 22 maart 1917 over het ‘Vlaams aktivisme’ getuigt hiervan. [24]

Om de interesse van zijn Afrikaner gehoor te wekken benadrukte Visscher in deze brief de overeenkomsten tussen Vlamingen en Afrikaners. Beide volkeren gingen volgens hem gebukt onder de dominante cultuur van een ander volk. Voor de Vlamingen was dit de Franse cultuur van de Walen en voor de Afrikaners de Engelse cultuur. Ergens in het verhaal werd vervolgens Duitsland geïntroduceerd. Dit land zou volgens Visscher nooit accepteren dat het Vlaamse volk na de Eerste Wereldoorlog zou terugkeren onder Waalse (lees Franse) heerschappij. Na lezing van het artikel zouden de lezers van De Burger, niet geheel toevallig, wel eens tot de conclusie kunnen komen dat Duitsland, net als met de Vlamingen, ook met de Afrikaners het beste voor had. Het was koorddansen, maar Visscher hield er zijn Duitse opdrachtgevers mee tevreden zonder dat hij in Nederland (formeel) kon worden aangesproken op een pro-Duitse houding. Het artikel was immers slechts een weergave van de Duitse stellingname inzake België en bevatte niet de mening van Visscher. Op deze manier manoeuvreerde Visscher behendig tussen het Duitse en het NZAV-netwerk.

Het Duitse koloniale leger in 1906 op patrouille in Zuidwest Afrika. Fotograaf onbekend. Bundesarchiv_Bild_105-DSWA0095,_Deutsch-Süd-Westafrika,_Kamelreiterpatrouille.jpg

James Bond in Amsterdam

De gretigheid waarmee Visscher zijn Duitse netwerk van dienst wilde zijn, brak hem soms op. Zo raakte hij in 1915 nauw betrokken bij een heuse spionage-affaire, die bekend is komen te staan als de affaire-Du Plessis. [25] Op 17 september 1915 had Visscher in Amsterdam een afspraak met de Afrikaner Elie du Plessis. Du Plessis vertelde Visscher dat hij de Nationale Partij vertegenwoordigde en in opdracht van de Zuid-Afrikaanse oppositieleider James Hertzog (1866-1942) contact zocht met Duitse regeringskringen in Berlijn. Du Plessis gaf aan de Duitsers te willen informeren over de plannen van de Nationale Partij en hun zienswijze met betrekking tot de toekomst van Duitslands voormalige kolonie Zuidwest-Afrika. Uiteraard, zo gaf hij aan, nam de Nationale Partij een ‘sehr deutschfreundlich’ standpunt in. Door bemiddeling van Visscher zat Du Plessis kort na de ontmoeting in de trein naar Berlijn, waar hij met veel egards werd ontvangen door staatssecretaris Wilhelm Solf van het Reichskolonialamt. [26] Daar bleef het echter niet bij. Als dank voor de informatie werd Du Plessis uitgebreid rondgeleid langs strategische locaties, waaronder munitiefabrieken en elektrische installaties (Siemens). De terugreis van Du Plessis ging echter niet naar Amsterdam of Zuid-Afrika, maar rechtstreeks naar Londen, waar de strategische informatie in dank werd aanvaard.

In Het Algemeen Handelsblad van 11 april 1916 werd het hele verhaal uit de doeken gedaan. [27] Ook nu wist Johan Visscher ermee weg te komen omdat het Duitse consulaat voorafgaand aan de ontmoeting met Du Plessis in een telegram aan Hertzog navraag had gedaan of Du Plessis inderdaad de Nationale Partij vertegenwoordigde. Na een bevestigend antwoord sprong in Amsterdam het licht op groen voor de ontmoeting. Het telegram was echter nooit in Zuid-Afrika aangekomen, maar onderschept door de Britse geheime dienst. Het bevestigend antwoord kwam dan ook uit Londen.

Het persbureau ingelijfd in de Hilfsstelle

Ondanks de Duitse ‘subsidie’ kon Visscher zijn persbureau niet rendabel exploiteren, laat staan dat hij kon concurreren met grote bureaus als Reuters. Als gevolg hiervan besloot de NZAV in 1917 het bureau van Visscher over te nemen. Visscher werd benoemd tot directeur en kreeg een commissie van toezicht boven zich waarvan NZAV-secretaris Nicolaas Mansvelt deel uitmaakte. [28] Het persbureau kreeg met de overname een meer officiële status. De Nederlandse regering en de Nederlandse consulaten in Zuid-Afrika werden over de overname geïnformeerd. [29] Volgens Zajas zag staatsecretaris Rosen van het Reichskolonialamt hierin de mogelijkheid om Duitse propaganda onder de naam van een neutrale Nederlandse instelling uit te kunnen brengen. [30] De NZAV was weliswaar een private instelling, maar gezien haar inbedding in de Nederlandse samenleving en haar nauwe banden met de Nederlandse regering mag worden aangenomen dat het persbureau aan status en gezag had gewonnen als gevolg van de overname door de NZAV. In de ogen van haar Zuid-Afrikaanse afnemers moet de berichtgeving door het persbureau met het ‘NZAV-keurmerk’ aan betrouwbaarheid hebben gewonnen.

Kort na de overname zou Rosen met hulp van Visscher het persbureau integreren in de structuur van de Hilfsstelle. Visschers ‘Südafrikanisches Pressebüro’ werd een organisatorische eenheid binnen de ‘Presseabteilung der Hilfsstelle’, naast vijf andere persdiensten. [31] Het moet de kroon op het werk zijn geweest van het Duitse gezantschap. Tegelijkertijd roept het de vraag op of er nu werkelijk binnen de NZAV niemand was die van de inlijving op de hoogte was. Zajas is van oordeel dat er er geen redenen zijn om aan te nemen dat dit wel zo was. [32] Daartegenover staan de signalen die anders doen vermoeden, zoals de waarschuwingen uit Zuid-Afrika, de spionage-affaire met Du Plessis en de toch wel opvallend veel Duitsgezinde artikelen van de hand van Visscher. Daar komt nog bij dat NZAV-bestuurder en Transvaler H.D.J. Bodenstein ook als vertrouwensman en informant voor de Duitsers werkzaam was. [33]

Gelet hierop lijkt het onwaarschijnlijk dat het bestuur van de NZAV het niet geweten heeft. Het is plausibel te veronderstellen dat de NZAV (net als de Duitse regering) haar geld op het opkomende Afrikaner nationalisme had gezet. Duitsland en de NZAV hadden voorts een gemeenschappelijke vijand: het Britse Rijk. Het lijkt er eerder op dat de NZAV-bestuurders hebben weggekeken toen de geruchten over Visschers samenwerking met het Duitse gezantschap hen ter ore kwamen. Uiteraard had dit zijn grenzen, omdat de Nederlandse neutraliteit onder geen beding in gevaar mocht komen. Dat Visscher door het bestuur van de NZAV soms tot de orde werd geroepen, lijkt een pro-formahandeling die ook door Visscher als zodanig werd geïnterpreteerd. Zo zien we een repeterend patroon van brieven over en weer die bol stonden van voorzichtige aannames en beleefdheidsfrasen waarin door Visscher steevast spijt en beterschap werd beloofd.

Het doek valt

Op 11 november 1918 eindigde de Eerste Wereldoorlog. Visschers maandelijkse financiële bijdrage van de Duitse Hilfsstelle werd echter pas in januari 1919 stopgezet. Propaganda en de Duitse belangen in Zuidwest-Afrika waren niet meer aan de orde. Voor Johan Visscher betekende dit het wegvallen van een belangrijke bron van inkomsten. 1921 zou een rampjaar voor hem worden. In dat jaar besloot De Burger niet langer gebruik te maken van de diensten die Visscher via het persbureau leverde en liep zijn tweede huwelijk op de klippen. Het jaar werd afgesloten met zijn persoonlijk faillissement. Kort daarvoor was gebleken dat hij een greep uit de NZAV-kas had gedaan. [34] Door de NZAV werd dit met de mantel der liefde bedekt, bang als men was voor een schandaal. [35] In 1923 zou ten slotte ook het doek voor het NZAV-persbureau vallen. Voor Johan Visscher was het hoofdstuk Zuid-Afrika hiermee definitief afgesloten. Tot zijn dood als gevolg van de hongerwinter in 1945 (hij werd begraven in een massagraf), zou hij zich vanaf de linkerflank van de socialistische beweging onvermoeibaar blijven inzetten voor zijn idealen. Hij bleef publiceren en reisde in de jaren dertig zelfs naar Moskou af, waar hij geruime tijd als vertaler werkzaam was. De toen nog illegale communistische krant De Waarheid herdacht hem uitgebreid bij zijn dood. [36]

Epiloog

Johan Visschers netwerken zijn te duiden als netwerken van verliezers. Het door Visscher zo gewenste socialisme zou in Zuid-Afrika geen voet aan de grond krijgen. Zowel Duitsland als Nederland (NZAV) zouden na de Eerste Wereldoorlog geen rol van betekenis meer hebben in de politieke en culturele ontwikkelingen in Zuid-Afrika. De Nederlandse socialistische beweging, ten slotte, had geen oog meer voor de ontwikkelingen in Zuid-Afrika druk als men was met de revoluties dichter bij huis in Europa.

De enige winnaar was het Afrikaner netwerk rond De Burger. Dit netwerk wist de kansen die de Eerste Wereldoorlog bood te benutten door een effectief netwerk dat via sociale acties (ter bestrijding van de armoede onder de Afrikaners) de nationalistische beweging momentum gaf. Verdere institutionalisering van het netwerk in de media (De Burger) en de politiek (de Nationale Partij) volgden en droegen bij aan het succes. De Nationale Partij zag haar electoraat groeien en zou een dominante factor worden in de Zuid-Afrikaanse politiek, met als weerzinwekkend dieptepunt de invoering van de apartheid enkele decennia later.

Johan Visscher fungeerde als een belangrijk knooppunt tussen deze netwerken. Door een cumulatie van functies zien we dat via dit knooppunt informatie uit het NZAV-netwerk en het Duitse netwerk werd uitgewisseld met het Afrikaner netwerk. Dat dit mogelijk was, is in de eerste plaats te danken aan Visschers omgevingssensitiviteit en geestelijke lenigheid. Hoewel het voor hem vaak koorddansen was tussen de netwerken met hun uiteenlopende belangen, slaagde hij erin zijn opdrachtgevers tevreden te stellen. Wat daarbij hielp was dat de netwerken Groot-Brittannie als gemeenschappelijke vijand hadden. Visschers publicaties over het ‘perfide Albion’ vielen daardoor goed in de smaak bij de verschillende partijen.

Het onderzoek naar Visschers netwerken werpt een nieuw licht op de koloniale betrekkingen tussen Nederland en Zuid-Afrika in die zin dat er, ondanks de Nederlandse neutraliteit, door Nederlandse instellingen als de NZAV en individuen als Johan Visscher tijdens de Eerste Wereldoorlog op Zuid-Afrika gerichte, pro-Duitse propaganda werd gemaakt. Nederland leende zich hiervoor bij uitstek vanwege zijn koloniale verleden met Zuid-Afrika.

Noten

[1] Fred de Vries, ‘De Nederlandse erfenis in Zuid-Afrika. “We leven in barbaarse tijden”,’ De Groene Amsterdammer, 8 juli 2020, 84-89, aldaar 84. [2] Frederick Cooper en Ann Laura Stoler, ‘Between Metropole and Colony: Rethinking a Research Agenda’ in: Frederick Cooper en Ann Laura Stoler reds., Tensions of Empire: Colonial Cultures in a Bourgeois World (Berkeley 1997) 1-56, aldaar 3-4. [3] David Lambert en Alan Lester, ‘Introduction: Imperial Spaces, Imperial Subjects’ in: David Lambert en Alan Lester reds., Colonial Lives Across the British Empire: Imperial Careering in the Long Nineteenth Century (Cambridge 2006) 1-31; Zoë Laidlaw, Colonial Connections, 1815-1845: Patronage, the Information Revolution and Colonial Government (Manchester en New York 2005); Alan Lester, ‘Imperial Circuits and Networks: Geographies of the British Empire,’ History Compass 4.1 (2006) 124-141. [4] Vincent Kuitenbrouwer, War of Words: Dutch Pro-Boer Propaganda and the South African War (1899-1902) (Amsterdam 2012) 11. [5] In 1905 zou Johan Visscher zich voor een tweede keer in Zuid-Afrika vestigen. Deze tweede immigratie duurde echter minder dan een jaar en wordt mede daarom hier niet verder besproken. [6] Johan Visscher, De ondergang van een wereld. Historisch-oeconomische studie over de oorzaken van den Anglo-Boer oorlog 1899-1902 (Amsterdam 1903). [7] Ibidem, 160. [8] Ibidem, 58-59. [9] Fransjohan Pretorius, ‘The Dutch Social Democrats and the South-African War, 1899-1902,’ European Review of History 6.2 (1999) 199-220, aldaar 23. [10] Ibidem. [11] Hollandsch Zuid-Afrika, 15 juli 1915. [12] Pawel Zajas, ‘German Paths in the Hague: Johannes Visscher and the “südafrikanische Propaganda” During World War I,’ Tydskrif vir Geesteswetenskappe 55.1 (2015) 15-32, aldaar 21. [13] Ibidem, 15-32. [14] Ibidem, 20. [15] Ibidem. [16] Ibidem, 21. [17] Von Kühlmann stond op goede voet met Solf vanwege een eerdere samenwerking over een met de Britse regering gesloten verdrag inzake de indeling van Portugese en Belgische kolonies. Hierdoor kreeg Duitsland in de toekomst aanspraken op onder meer Angola. Door dit succes verwierf Von Kühlmann in Berlijn de reputatie van ‘Afrika-expert’. Zie in dit kader Zajas, ‘German Paths,’ 22. De Hilfsstelle hield zich niet alleen bezig met Zuid-Afrika. Zo kende de organisatie vijf persdiensten, die zich onder meer richtten op Duitse propaganda voor de Nederlandse zuilen (katholiek en protestant). Buiten Nederland richtte de organisatie zich ook op Vlaanderen, Polen en Rusland. Zie in dit kader ibidem, 27. [18] Ibidem. [19] Visscher benaderde onder meer de bladen Ons Vaderland (Pretoria), Die Brandwag (Bloemfontein), Het Volksblad (Potchefstroom) en De Volksstem (Pretoria). Archief Zuid-Afrikahuis ZAH 64, 18-5. [20] Zajas, ‘German Paths,’ 24. [21] Brief Visscher aan Engelenburg, 16 december 1915. Archief Zuid-Afrikahuis ZAH 64, 18-2; C.F.J. Muller, Sonop in die Suide. Geboorte en groei van die nasionale pers 1915-1948 (Kaapstad 1990) 174. [22] Zajas, ‘German Paths,’ 28. [23] Zie bijvoorbeeld de ‘brief uit het moederland’ van Visscher van 9 mei 1916 inzake de Paasopstand in Dublin. Archief Zuid-Afrikahuis ZAH 64, 2411. [24] Zie de ‘brief uit het moederland’ van Visscher van 22 maart 1917. Ibidem. [25] Zajas, ‘German Paths,’ 24. [26] Ibidem, 25. [27] Ibidem. Op 11 april 1916 bracht Het Algemeen Handelsblad dit nieuws. De bron was een eerdere onthulling in Ons Vaderland, het partijblad van de Nationale Partij. [28] B.J.H. de Graaff, De mythe van de stamverwantschap. Nederland en de Afrikaners 1902-1930 (Amsterdam 1993) 128. [29] Zajas, ‘German Paths,’ 27. [30] Ibidem. [31] Ibidem. [32] Ibidem. [33] Ibidem, 24. H.D.J. Bodenstein was tevens hoogleraar Romeins-Hollands Recht aan de toenmalige Amsterdamse Gemeente Universiteit. [34] De Graaff, De mythe, 198. Per brief van 15 december 1921 vroeg Visscher aan het bestuur van de NZAV om zijn ontslag. Dit werd op 23 december van hetzelfde jaar toegewezen. Archief Zuid-Afrikahuis ZAH 64, 1098. [35] De Graaff, De mythe, 198. [36] De Waarheid, 14 maart 1945.

Over de auteur

André Paijmans studeerde in april 2020 cum laude af in de master Kunst- en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. De studie werd afgerond met een scriptie over de netwerken van Johan Visscher en hun rol in de politieke ontwikkelingen in Zuid-Afrika van 1909 tot 1923. In het dagelijks leven is hij jurist in Amsterdam.

André Paijmans, ‘De grensoverschrijdende netwerken van Johan Visscher in een Zuid-Afrikaanse propaganda-oorlog’, Locus – Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen 23 (2020). https://edu.nl/8y44a

© 2020 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl