Portret van schrijver James Baldwin (1924-1987), die eveneens het recht op "Anders-zijn" opeiste in zijn werk (tekening Anne-Sophie De Mey, kleurpotlood op houten plank, 2018)


Negenennegentig Zwarte Pieten

Anne-Sophie De Mey

In de winkelstraten hangt sinds enkele dagen een affiche waarop alle inwoners van het stadje worden uitgenodigd om binnenkort, 'samen met negenennegentig Zwarte Pieten', Sinterklaas te verwelkomen aan de kade. Die ene Zwarte Piet die op de affiche is afgebeeld, grijnst me toe vanachter een dikke laag bruinzwarte make-up. Nochtans is in België de afgelopen jaren stilzwijgend beslist om de Sint, bij zijn officiële aankomst in Antwerpen en in het bijhorende televisieprogramma, vergezeld te laten gaan van 'roetpieten' met slechts enkele zwarte veegjes op hun gezicht, alsof ze zopas uit de schoorsteen zijn gerold. Is het stugge vasthouden aan Piets zwartheid typerend voor een provinciestadje als dit, of ligt het probleem bij het tekort aan duidingen in de media betreffende Piets officiële transformatie?


In Nederland gaat de komst van Sinterklaas in elk geval niet in stilte gehuld; daar wordt het Zwarte Pietdebat zelf zo stilaan een jaarlijkse traditie. Beide kampen in het debat blijven netjes gescheiden naar elkaar roepen, zoals dat in een aanslepend debat gaat. Deze patstelling doet me denken aan het werk van de Martinikaanse filosoof Frantz Fanon (1925-1961).

Net zoals zijn collega's en tijdgenoten Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre bestudeerde hij vanuit de eigen, geleefde ervaring (in zijn geval dat van 'zwarte man') de oorzaken en gevolgen van discriminatie, alsook de vraag of vrijheid mogelijk is vanuit een positie van onderdrukt-zijn. Zou Fanon dit Zwarte Pietdebat eigenlijk beschouwen als zo'n strijd om erkenning waarvoor hij in zijn werk ijverde?


Enerzijds past het Zwarte Pietdebat inderdaad bij zijn visie op een mogelijke emancipatiestrijd. De zwarte mens heeft hierin immers een gelegenheid gevonden om de strijd om erkenning met de witte mens aan te gaan. Hij heeft de witte mens als het ware betrapt op een gelegenheid waarin deze hem wel degelijk als minderwaardig en ondergeschikt (als knecht van een witte man) beschouwt en eist dat de witte mens dit als zodanig erkent. Het witte individu, daarentegen, reageert hier ontwijkend op. Zwarte Piet wordt door hem als onderdeel van een onschuldige traditie gezien die in zijn ogen niets meer te maken heeft met de vroegere onderdrukking van zwarten.


In dit debat erkent de witte mens de zwarte mens dus niet als subject met een eigen perspectief. Tegenover zijn eigen zelfbeeld stelt hij de zwarte mens als 'Ander'. Eigen aan zo'n filosofische Ander is dat deze als een soort object wordt gebruikt om het eigen zelfbeeld mee te beveiligen. [1] Alle eigenschappen waarmee iemand zich niet wil vereenzelvigen, worden dan maar op deze Ander geprojecteerd. Fanon en andere Franssprekende filosofen van zijn tijd, met name Emmanuel Levinas (1906-1995) en Édouard Glissant (1928-2011), hebben geprobeerd om dit vanuit het dominante individu geprojecteerde 'Anders-zijn' om te buigen tot een uitnodiging en zelfs een recht: niemand zou eigenschappen op een ander mens mogen projecteren, want zo ontmenselijk je hem. Je zou elke medemens steeds weer moeten ontmoeten als een Ander waarover jij niets weet, en hem zo het recht geven om zich als subject met een heel eigen perspectief te ontwikkelen. In ons Zwarte Pietdebat, echter, heeft het witte individu volstrekt geen interesse in de visie van deze door hem als-object-beschouwde-Ander. Hij blijft stellen dat hij hem 'als broeder' beschouwt en dat het de zwarte is die 'problemen zoekt' door de witte mens te objectiveren tot 'racist'.


Een strijd die niet als strijd wordt erkend door één van beide partijen, levert nog steeds geen gelijkheid op (waarbij ik gelijkheid begrijp als wederzijdse erkenning van het subject-zijn van de ander). Toch zou Fanon wellicht opgelucht zijn dat dit debat gevoerd wordt. Hem gaat het om de mogelijkheid om deel te nemen aan de strijd, die zo immers een evenwicht in de positie van beide partijen brengt. Anders dan tijdens de koloniale periode is het nu niet enkel de witte mens die zichzelf als normatief uitgangspunt en dus als subject stelt; ook de zwarte persoon eist als zodanig gezien te worden. De witte mens moet rekening houden met het perspectief van de zwarte mens. Ongeacht de uitkomst van het Zwarte Pietdebat, betekent het debat zélf, in elk geval wanneer men het interpreteert volgens het denkkader dat Fanon biedt, winst.


Anderzijds kan niemand het onbevredigende karakter van dit debat ontkennen. Fanons theorie biedt ook daarvoor een verklaring. Het protest tegen de figuur van Zwarte Piet heeft als kern de verschillende interpretaties die diverse groepen in de samenleving geven aan dit symbool. Onderzoek van de Nederlandse overheid wijst echter uit dat de meerderheid van de burgers, zwart én wit, Zwarte Piet amper als racistisch beschouwt. Evenmin associeert men deze figuur met het slavernijverleden. [2]


Het debat gaat voor de meeste mensen dus niet over concrete ervaringen met racisme of over de mogelijkheid dat er karikaturale eigenschappen worden toegedicht aan gekleurde mensen in het algemeen. Daarom zou je het kunnen zien als een debat dat wordt gevoerd in de kantlijn van écht racisme en van reële erkenning van gekleurde mensen. Fanon zelf stelt immers dat mensen die in het heden leven amper effect ervaren van een meer genuanceerde of minder racistische beeldvorming over het verleden. Het debat moet over het concrete nu gaan, de concrete situatie waarin mensen zich nu bevinden, en niet over symbolen en cultuurgeschiedenis: 'ik ben ervan overtuigd dat het bijzonder interessant zou kunnen zijn om een zwarte literatuur of architectuur uit de derde eeuw voor Christus te leren kennen (…) [m]aar ik zie volstrekt niet wat daarmee zou kunnen veranderen in de situatie van een achtjarig jochie dat op de rietsuikervelden van Martinique of Guadeloupe werkt. (…) [D]oor te overstijgen wat historisch en instrumenteel gegeven is, open ik de cyclus van mijn vrijheid.' [3] Fanon richt zich hierbij tot zwarte én witte mensen: 'Beiden hebben de opdracht zich af te wenden van de onmenselijke stemmen van hun respectievelijke voorouders, opdat een authentieke communicatie mogelijk wordt.' [4] Geen van beiden zou zich dus moeten laten verstrikken in een zinloos debat over een symbool. In feite zouden beide groepen deze symbolen maar beter helemaal over boord moeten gooien en komaf maken met tradities en gevoeligheden die hun belang ontlenen aan het feit dat hun oorsprong tot het verleden behoort.


Je kan je afvragen wat we dan nog te vieren zullen hebben, wanneer we helemaal afgedaan hebben met symbolen. Ik zou het mooi vinden om het 'Feest van de Ander' te lanceren, een dag waarop we elkaar voor een keertje op een open wijze ontmoeten, zonder een beeld van jezelf te willen overbrengen en zonder die Ander tot een beeld om te vormen… Een feestdag om het opene te vieren, in plaats van het geslotene te herhalen. Ik maak er mijn agenda alvast voor vrij.

Noten

[1] Frantz Fanon, 'De neger en de erkenning' in: Idem, Zwarte huid, witte maskers. Jeanne Holierhoek vert. (Amsterdam 2018 [1952]), 192.

[2] Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid, Opvattingen over de figuur Zwarte Piet. Een opinieonderzoek onder het Nederlandse publiek, met uitsplitsingen naar autochtone Nederlanders en Surinaamse- en Antilliaanse-Nederlanders, november 2017. https://www.nieuwsszw.nl/peiling-opvattingen-over-figuur-van-zwarte-piet/

[3] Frantz Fanon, 'Bij wijze van conclusie' in: Idem, Zwarte huid, witte maskers. Jeanne Holierhoek vert. (Amsterdam 2018 [1952]), 210. [4] Ibidem.

Over de auteur

Anne-Sophie De Mey studeert Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zowel in haar filosofische interesses als in haar tekeningen focust ze op het verband tussen zelfperceptie en de waarneming van de omringende wereld.

© 2018 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl