Het tijdperk van de discontinuïteit

Column door Rein de Wilde

Er is binnen de sociale wetenschappen een genre dat men in het Duits zo mooi Zeitdiagnose noemt. Welke fundamentele veranderingen zijn er gaande in onze huidige samenleving en hoe beïnvloeden die ons leven in de naaste toekomst? Wel, de massamedia zouden de wereld veranderen in een groot, gezellig dorp en de definitieve overwinning van de democratische staatsorde zou binnen handbereik zijn. Maar tijdsduiding gaat niet altijd mis.


Ulrich Beck had in de jaren tachtig van de twintigste eeuw niet alleen een goed oog voor opkomende milieuvraagstukken, op een meer fundamenteel niveau ontdekte hij de vorming van een nieuw type maatschappij dat hij de 'risicosamenleving' noemde. Nog voordat Beck dit inmiddels beroemde label op onze hoog-industriële tijd plakte, verscheen er een Zeitdiagnose die onder cultuurwetenschappers minder bekend is, maar toch minstens even indrukwekkend.

Hij is van de hand van Peter Drucker, die vooral geschiedenis heeft gemaakt als grondlegger van de bedrijfskunde. Drucker voorspelde in 1969 een fundamentele wending in de richting van wat hij noemde 'de tijd van de discontinuïteit'.


In de negentiende eeuw verschoof, aldus Drucker, de economische zwaartekracht van kolen en stoom naar staal, elektriciteit en chemie. Nu (dat wil zeggen, eind jaren zestig van de vorige eeuw) zegt hij, bevinden we ons in het vroege stadium van net zo’n drastische verschuiving. De ontwikkeling van de computer en de nieuwe welvaart in het Westen stimuleren de vraag naar nieuwe materialen zoals aluminium en plastic. Door de toenemende verstedelijking zullen bedrijfstakken als de stedenbouw en de transportindustrie volgens Drucker ook in belang toenemen. Al deze nieuwe industrietypen hebben één ding gemeen: hun basisgrondstof is kennis, niet noodzakelijk wetenschappelijke kennis, maar wat Drucker systeemkennis noemt; geen kennis gebaseerd op het uiteenrafelen van problemen in (disciplinaire) elementen, maar kennis die direct is gericht op het maken van nieuwe, complexe technologie.


Innovatie krijgt met deze focus op 'systeemkennis' meer dynamiek, dat zag Drucker al heel scherp vijftig jaar geleden. In het tijdperk van de discontinuïteit is voor het verbeteren van bestaande producten of productieprocessen steeds minder tijd. Als men anderen voor wil blijven, zal men de vernieuwing zelf voortdurend moeten vernieuwen!


Kennis gericht op nieuwe producten en processen: wie daarvan meer wil, zal ook laboratoria en universiteiten anders moeten inrichten en aansturen. Tot in de jaren zestig stonden onderzoekers primair onder toezicht van de eigen disciplinaire professie. Daarna brokkelde deze professionele autonomie snel af. Meer dan Drucker hebben we tegenwoordig oog voor de schaduwkanten van een samenleving in voortdurende verandering. Problemen van milieu en migratie doen de Age of Discontinuity allang niet meer als één grote mars voorwaarts verschijnen. Maar hoe terecht is Druckers claim dat informatie pas kennis mag heten als het productief gemaakt kan worden?


Druckers tijdperk van de discontinuïteit is er gekomen. En hoe!


De maat voor alle kennisontwikkeling, zeker in de natuurwetenschappen, dat moeten we Drucker nageven, is inmiddels de zogenoemde technowetenschap, een manier van werken waarin kennis- en techniekontwikkeling hand in hand gaan, uitgevoerd door multidisciplinaire teams en gericht op snelle toepassing en innovatie. Toch kunnen we het ook vandaag de dag niet stellen zonder meer ambachtelijke manieren van (natuur)wetenschappelijke kennisontwikkeling. Ook die behouden hun waarde in hoog-industriële kennissamenlevingen. Nog steeds beschrijven en classificeren we objecten of systemen naar hun uiterlijke kenmerken, of halen we objecten met onze handen of louter in gedachten uit elkaar. Wat we ook niet kunnen laten is wat wetenschapshistoricus John Pickstone het lezen van de wereld heeft genoemd, geleid door vragen als: wat betekenen al die (natuur)wetenschappelijke inzichten eigenlijk voor ons leven als mens? Kortom, er zijn binnen de natuurwetenschappen nog altijd meerdere 'kennispraktijken' te onderscheiden; sommige sluiten nauw aan bij moderne, grootschalige, gerationaliseerde productievormen, maar andere blijven meer verwant aan kleinschalig handwerk.


Druckers tijdperk van de discontinuïteit is er gekomen. En hoe! Maar evenzeer kunnen we concluderen dat daarin continuïteit aanwezig blijft, zelfs daar waar dit tijdperk zich van eerdere tijdperken onderscheidt, in de productieve rol van kennis. Deze dubbele bevinding kan ons cultuurwetenschappers bemoedigen.


Sinds de jaren zestig zijn ook onze wetenschappen van taal en cultuur zich meer op praktische toepassingen gaan richten. Daartoe zijn ook wij, net zoals de moderne natuurwetenschappers, meer in multidisciplinaire teams gaan werken, geheel volgens Druckers voorspelling. Deze wending heeft de cultuurwetenschappen goed gedaan. We zijn mede daardoor opener, relevanter en minder arrogant geworden. Tegelijkertijd herinnert Pickstone ons er aan dat ook hoog-industriële samenlevingen gebaat zijn met meerdere vormen van kennisproductie. Juist in een tijd waarin snelle en vaak ongewisse veranderingen onvoorziene onderzoeksvragen oproepen, is het wijs wetenschapsbeoefening op diverse manieren te blijven beoefenen en in elk geval het disciplinaire handwerk te blijven koesteren. Waarom zou het in teamverband bijdragen aan een betere wereld strijdig zijn met het lezen van de wereld in een kamertje ergens achteraf? Zeker, wij cultuurwetenschappers kunnen allebei. En wie weet blijkt in the long run het laatste zeker zo 'nuttig' als het eerste.

Over de auteur

Rein de Wilde is wetenschapsfilosoof en decaan van de Faculteit Cultuur- en Rechtswetenschappen van de Open Universiteit. Zijn huidige onderzoek richt zich op de relaties tussen wetenschap en politiek.

© 2018 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl