Circulaire herinnering. De werking van ‘postmemory’ in ‘Ik wil je laten weten dat we er nog zijn’ (2020) van Esther Safran Foer

Sander Bakx

Publicatiedatum: 23 maart 2021

Aan het begin van 2020 publiceerde Esther Safran Foer haar memoires Ik wil je laten weten dat we er nog zijn. Esther is de dochter van twee overlevenden van de Holocaust uit het door de nazi’s verwoeste dorp Trochenbrod in het hedendaagse Oekraïne. Haar vader, Leibel, pleegt negen jaar na de oorlog, gepijnigd door het verleden, alsnog zelfmoord. De moeder van Esther, Ethel, vertelt af en toe verhalen van voor en tijdens de oorlog, maar houdt meestal haar mond dicht. De verschrikkingen zijn te groot om over te praten. Over het verleden van haar vader weet Esther dan ook vrijwel niets. Als ze er op een dag achter komt dat haar vader voor de oorlog een andere vrouw en een ander kind had, raakt ze geïntrigeerd en gaat ze op zoek naar het verleden van haar ouders.

Cultuurhistoricus Susan Hogervorst schrijft dat ‘het individuele geheugen vorm krijgt binnen een “tijdshorizon” van drie generaties, vergelijkbaar met de duur van een individueel leven’. [1] De herinneringen van Ethel en Leibel werken dus door bij Esther en haar kinderen. Esther worstelt met de overgeërfde trauma’s van haar ouders, maar heeft geen kennis van de verhalen die ze hebben veroorzaakt. Tegenover het individuele geheugen staan de herinneringen van een groep, het collectieve geheugen, parafraseert Hogervorst cultuurwetenschapper Aleida Assmann. [2] Hogervorst stelt dat er ‘een permanente wisselwerking’ plaatsvindt ‘tussen het niveau van het individu en dat van het collectief’. [3] De herinneringen van een individu, zoals Esther, worden dus beïnvloed door het collectieve geheugen; door verhalen, geschiedenis, monumenten, foto’s en dergelijke. Het collectieve geheugen wordt op haar beurt gevoed door verhalen van individuen.

De kinderen van Esther spelen een belangrijke rol in de wijze waarop Esther omgaat met haar herinneringen. Deze kinderen behoren tot de derde generatie van het individuele geheugen van overlevenden van de Holocaust. In dit artikel geef ik antwoord op de vraag hoe het herinneringsproces verloopt in Ik wil je laten weten dat we er nog zijn en welke rol de derde generatie overlevenden van de Holocaust speelt bij de identiteitsvorming van de tweede generatie.

Een ‘fiction of memory’

‘Mijn moeder nam een slokje van haar geliefde oploskoffie en vertelde nonchalant dat mijn vader in het getto had gewoond met zijn vrouw en dochter. Ze waren allebei door de nazi’s vermoord terwijl hij dwangarbeid verrichtte. Ik was verbijsterd en riep uit: “Wat? Hij had een vrouw en een dochter? Waarom heb je me dat nooit verteld? Hoe is het mogelijk dat je daar nu pas mee komt?” Ik was in mijn jeugd omringd door geesten; familieleden over wie zelden werd gesproken, verhalen die niemand wilde vertellen. Nu was er een nieuwe geest waarvan ik geen weet had gehad: mijn eigen zus. Ik drong bij mijn moeder aan op meer informatie, maar ze zei dat het gesprek was afgelopen. Genug shoyn. Het is mooi geweest.’ [4]

Bovenstaand fragment is de belangrijkste aanleiding voor Esther Safran Foer om op zoek te gaan naar antwoorden over haar verleden. Ze blijkt een zus te hebben, die als gevolg van de Holocaust is omgekomen, en bovendien heeft haar vader een heel ander leven gehad. Esther begint te twijfelen of haar eigen vader wel echt van haar heeft gehouden, of dat hij alleen maar aan zijn vorige gezinnetje dacht. En haar moeder houdt keer op keer precies op het cruciale moment haar mond. Esther krijgt zelfs de naam van haar zus niet losgepeuterd, hoewel het mogelijk is dat haar moeder die niet kent. ‘Hoe herdenk je iemand die geen enkel spoor heeft nagelaten?’ [5] Met deze vraag begint ze haar zoektocht. Onderweg ontmoet ze familie en vrienden (andere joodse overlevenden uit Trochenbrod, de kinderen daarvan of (de kinderen van) niet-joodse voormalige dorpsgenoten van haar ouders), die allemaal hun eigen verhaal hebben om te vertellen en dierbaren om te herinneren.

Esther gebruikt verhalen uit het verleden om op te reflecteren, waardoor het boek gezien kan worden als ‘fiction of memory’. Literatuurwetenschapper Birgit Neumann typeert een ‘fiction of memory’ als een verhaal waarin de verteller herinneringen ophaalt, om zo vanuit het heden betekenis te geven aan het verleden. [6] Esther gebruikt echter niet alleen haar eigen herinneringen, maar ook de herinneringen van familie en vrienden. Bovendien zijn er in haar tekst twee momenten van betekenisgeving te onderscheiden.

De lezer wordt meegenomen in Esthers onderzoek, waarin ze veel verhalen van haar ouders opdiept. Deze verhalen leiden in de eerste plaats tot een directe reflectie, die we lezen als één grote flashback. Soms is die reflectie een bevestiging van wie ze is, ze lijkt op haar moeder en grootmoeder. Soms wordt een deel van een verhaal onthuld dat in strijd is met wat ze tot dan toe voor waar had aangenomen. ‘Het was zoals met alles rond dit onderwerp: hoe meer ik te weten kwam, hoe ingewikkelder het verhaal werd.’ [7] Een tweede moment van reflectie vindt in het heden plaats. Esther vult bijvoorbeeld een herinnering aan met informatie die ze nu heeft. Een andere keer komt ze pas in het heden, tijdens het schrijven of net ervoor, tot een dieper besef. ‘Als ik heel eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik het al die jaren later nog altijd niet helemaal op een rijtje heb.’ [8]

Esther is zich heel erg bewust van de onbetrouwbaarheid van herinneringen, zowel van haar eigen herinneringen als van die van de mensen die ze ontmoet. Neumann zegt daarover dat voor het individu alleen herinneringen mogelijk zijn, waarvoor de cultuur externe support levert. [9] Esther controleert de verhalen aan de hand van foto’s, geschiedenisboeken en experts. Ze wantrouwt bijna alles, zelfs haar eigen geheugen. ‘Ik wilde haar graag geloven – dat was de hele tijd mijn uitgangspunt geweest – maar ik bleef bij mijn scepsis totdat ik het met mijn eigen ogen kon zien.’ [10]

Niet alles echter is te controleren. En ondanks haar besef dat sommige verhalen, van haarzelf of van de mensen die ze ontmoet heeft, wel eens onecht kunnen zijn, kiest ze er uiteindelijk voor ze wel te geloven. ‘Hoewel ik een groot deel van mijn leven heb besteed aan het bij elkaar puzzelen van de gebroken geschiedenis van mijn familie, heb ik geleerd dat niet alle verhalen een mooi einde hoeven te hebben en dat het soms prima is om je fantasie te gebruiken om de lege plekken in te vullen.’ [11] Verderop in de tekst beschrijf ik hoe ze door de invloed van haar zonen Frank en Jonathan tot dit inzicht is gekomen.

Dat Ik wil je laten weten dat we er nog zijn memoires zijn, en dus non-fictie, neemt niet weg dat er wel degelijk gefictionaliseerd wordt. Neumann stelt dat ieder autobiografisch verhaal gefictionaliseerd wordt door selectie, toe-eigening en waardering. [12] Het blijft Esther die ervoor kiest om de ene herinnering op te nemen en de andere weg te laten. De keuzes die ze maakt lijken erop gericht te zijn om het onbekende, verloren en vooral verzwegen verleden van haar familie een plek te geven.

De tweede generatie herinneraars van de Holocaust

‘Mijn moeder nam een slokje van haar geliefde oploskoffie en vertelde nonchalant dat mijn vader in het getto had gewoond met zijn vrouw en dochter. Ze waren allebei door de nazi’s vermoord terwijl hij dwangarbeid verrichtte. Ik was verbijsterd en riep uit: “Wat? Hij had een vrouw en een dochter? Waarom heb je me dat nooit verteld? Hoe is het mogelijk dat je daar nu pas mee komt? ” Ik was in mijn jeugd omringd door geesten; familieleden over wie zelden werd gesproken, verhalen die niemand wilde vertellen. Nu was er een nieuwe geest waarvan ik geen weet had gehad: mijn eigen zus. Ik drong bij mijn moeder aan op meer informatie, maar ze zei dat het gesprek was afgelopen. Genug shoyn. Het is mooi geweest.’

Postmemory describes the relationship that the generation after those who witnessed cultural or collective trauma bears to the experiences of those who came before, experiences that they “remember” only by means of the stories, images, and behaviors among which they grew up. [13]

Hirsch heeft het over een ‘rupture’, een breuk in de geschiedenis van een familie die traumatische gevolgen heeft. [14] De Holocaust is de traumatische breuk in het leven van Ethel en Leibel. Zoals Ronit Lentin beschrijft, hebben mensen die de Holocaust overleefden zoveel verschrikkelijke dingen gezien en meegemaakt, dat ze niet anders konden dan de herinneringen te onderdrukken om toch nog door te kunnen leven na de nazi-hel. [15] Ze hebben geprobeerd de toekomst zo min mogelijk te vervuilen door de ‘echte’, emotionele herinneringen niet te delen. In plaats daarvan, aldus Hirsch, werden de herinneringen symptomatisch uitgedragen tussen ouders en kind. [16] Door de woorden ‘Genug shoyn’, zoals in het hierboven geciteerd fragment uit Ik wil je laten weten dat we er nog zijn, wordt ieder gesprek afgekapt zodra het te dichtbij komt.

Voor Esthers vader was het zwijgen niet genoeg. Hij kon niet omgaan met de herinneringen, zelfs niet door ze weg te stoppen, en pleegde zelfmoord toen Esther acht jaar oud was. Hij werd beschouwd als een laat slachtoffer van de Holocaust. Later werd nauwelijks nog over hem gesproken, en al helemaal niet over zijn dood.

Normaal gesproken kan de tweede generatie te rade gaan bij de eerste generatie om te leren wat er een generatie eerder gebeurd is. Bij een traumatische ervaring, zoals de Holocaust, worden herinneringen vaak onderdrukt, waardoor het ophalen en delen van deze herinneringen niet meer mogelijk is. Hirsch stelt dat de tweede generatie het verleden in zo’n situatie te weten komt door denkbeelden, projecties en creaties die veelal gebaseerd zijn op de onuitgesproken en (voor de tweede generatie) onzichtbare herinneringen. [17] Ze moeten het gat van de breuk zien te dichten aan de hand van foto’s, geschiedschrijving (die op zichzelf vele gaten bevat doordat de nazi’s veel van de geschiedenis vernietigd hebben), [18] flarden van verhalen die wel worden verteld, en in het geval van Esther de verhalen van veel verschillende mensen.

Hirsch beschrijft hoe kunst, literatuur en memoires van de tweede generatie zijn gevormd door het verlangen het emotionele gat, ‘the rupture’, te dichten, de ellende te verwerken, en door het besef dat het bestaan van het kind heel goed een vorm van compensatie zou kunnen zijn van het onuitspreekbare verlies. [19] Zo heeft Esther heel sterk het gevoel (gehad) haar ouders op te moeten vrolijken. En sinds ze weet dat haar vader nog een kind heeft gehad, kan ze de gedachte niet loslaten dat hij haar misschien heeft gekregen om het leed te verzachten.

Met behulp van de mensen die ze ontmoet en haar familie, probeert Esther verhalen te creëren die de leegte kunnen vullen. In een interview met Michael Persson, journalist van de Volkskrant, zegt ze:

Families en kinderen zijn weerbaarder als ze weten dat het leven niet altijd perfect is en dat hun families verschrikkelijke tijden hebben doorgemaakt, maar dat ze die hebben overleefd. Joden geloven enorm in het geheugen, in verhalen die een metafoor vormen voor het overleven, voor de continuïteit van een heel volk. Dat is hoe we kracht en weerbaarheid bouwen. [20]

In haar boek beschrijft ze hoe de joden die ze ontmoet, als je even doorvraagt, allemaal wel ergens familie van haar zijn. Meestal ontmoet ze de kinderen van joodse overlevenden uit Trochenbrod die de verhalen vertellen die ze vaak, net als Esther, zelf ontdekt hebben, door jarenlang onderzoek te doen, omdat ook hun ouders de mond veelal dicht hielden. Of ze krijgt (nabestaanden van) overlevende niet-joden te spreken, die de oorlog heel anders beleefd hebben en minder moeite lijken te hebben om te praten over het verleden. Samen dichten ze ‘the rupture’, door het op te vullen met de onthulde gebeurtenissen van vroeger en de wetenschap dat de familie die gebeurtenissen overleefd heeft.

Circulaire herinnering

Hoewel ‘postmemory’ met name beschreven wordt aan de hand van de tweede generatie, wil ik hieronder ingaan op de wijze waarop Frank en Jonathan Safran Foer, twee zonen van Esther, zijn beïnvloed door hun moeder en hoe zij haar hebben beïnvloed bij het verwerken van haar trauma. Daarnaast heeft ook Esther haar leed, waarschijnlijk onbedoeld, geprojecteerd op haar kinderen, zoals ook Ethel dat gedaan heeft.

‘Kinderen kunnen voor hun ouders muren afbreken en deuren openen,’ schrijft Esther in relatie tot het boek Alles is verlicht dat haar zoon Jonathan in 2002 uitbracht. [21] Jonathan had zijn boek geschreven naar aanleiding van een afstudeeronderzoek dat hij heeft gedaan. Het was het idee van Esther om naar Oekraïne te gaan om wat meer over zijn grootouders te weten te komen. Zijn zoektocht leverde helaas niet alle informatie op die hij graag gewild had en in Alles is verlicht, waarin hij die zoektocht beschrijft, vult hij de gaten op met fictie. Omdat het boek een wereldwijd succes werd, kwam het ook terecht bij voormalige inwoners van Trochenbrod. De meningen waren verdeeld over het gebruik van fictie in het boek: enerzijds kregen veel mensen daardoor een verkeerd beeld van Trochenbrod, anderzijds hadden ze nu ten minste wel een beeld. Hierdoor werd in ieder geval de herinneringsplaats opgenomen in het collectieve geheugen. Daarnaast zocht een aantal van de voormalige inwoners Esther op om uit te leggen hoe het werkelijk zat.

Door Alles is verlicht kwam er dus steeds meer informatie binnen, wat Esther stimuleerde om zelf ook op onderzoek uit te gaan in Trochenbrod. Wanneer ze uiteindelijk vertrekt, gaat Frank met haar mee. Hoewel ze het zelf niet benoemt, was Frank degene die haar overhaalde om op pad te gaan en het onderzoek te voltooien. In retrospectief blijkt Frank al veel eerder een ondersteunende rol te vervullen. Toen hij op de middelbare school een werkstuk moest schrijven, werd hem door moeder ingefluisterd haar verhaal op te schrijven. [22] Esther noemt het een aanmoediging, Frank echter zegt dat hij zich onder druk gezet voelde. Esther wilde erg graag dat het verhaal op papier kwam, maar wist zelf niet goed hoe. Toen ze haar memoires wilde schrijven, had ze aanvankelijk het idee dat samen met Frank te doen, maar haar uitgever vond dat geen goed idee. In dit geval lukte het haar wel om het avontuur, het schrijven van de memoires, zelf aan te gaan.

De twee zonen van Esther hebben invloed gehad op haar manier van omgaan met het verleden. Jonathan heeft haar geleerd dat het mogelijk is om de waarheid aan te vullen met fictie om zo de gaten op te vullen. [23] Als hij dat immers niet gedaan zou hebben, waren ze veel verder van de waarheid gebleven. Frank heeft zijn moeder geleerd om niet af te wachten en om niet afhankelijk te zijn van anderen. Bovendien heeft hij haar geleerd dat de zoektocht naar antwoorden veel belangrijker is dan het hebben ervan. Zijn band met zijn moeder is juist versterkt doordat ze samen de speurtocht aan zijn gegaan. [24] Esther is in eerste instantie verbaasd door die reactie, want Frank is journalist en is dus gericht op feiten. Hij beïnvloedt hier haar manier van denken over het belang van feitelijke herinneringen.

Ook Esther heeft op eenzelfde manier haar moeder beïnvloed. Ethel was in eerste instantie fel tegen het initiatief van Esther om haar zoon Jonathan naar Trochenbrod te sturen. Toen vervolgens Esther die kant op wilde gaan, durfde Esther pas op het laatste moment haar moeder te vertellen dat ze ging. Die reageerde hetzelfde als destijds bij Jonathan. Maar toen Esther terugkwam, reageerde Ethel, die haar op stond te wachten op het vliegveld, heel anders dan verwacht: ‘Mijn moeder was er ook en ze stond te stralen.’ [25] Vervolgens vertelt Esther dat haar moeder de foto’s keer op keer wilde bekijken, er vervolgens nog steeds niets over zei, en ze daarna weer wegschoof. Hieruit blijkt dat Ethels houding ten opzichte van Esthers zoektocht naar het verleden is veranderd. Ethel staat nu open om foto’s te bekijken van Trochenbrod. Ze durft zichzelf nu in ieder geval te confronteren met haar verleden. Esther is dus beïnvloed door haar kinderen en op haar beurt heeft ze haar moeder beïnvloed in de manier waarop zij omgaat met het verleden.

Conclusie

Esther Safran Foer schrijft met Ik wil je laten weten dat we er nog zijn een ‘fiction of memory’ van de Holocaust. Het boek is voor Esther een zoektocht naar familie, naar haar verleden, naar identiteit. Ze wil erachter komen waar ze vandaan komt, op wie ze lijkt en wat haar ouders hebben doorstaan. Ze leert zichzelf beter begrijpen en kan beter plaatsen waarom haar ouders nooit over het verleden spraken. Ze ontrafelt het verleden van haar vader en tegelijkertijd geeft ze antwoord op de vraag of haar vader gelukkig met haar was. Herinneringen zijn, met name in de joodse gemeenschap, erg belangrijk om vooruit te kunnen. Ze gebruikt die nieuwe herinneringen van voor haar geboorte om haar toekomst vorm te geven.

De memoires laten zien hoe de eerste generatie overlevenden van de Holocaust de tweede en derde generatie heeft beïnvloed. Dat kan gezien worden als een lineaire beïnvloeding, die ook de werking van de ‘postmemory’ van de Holocaust laat zien. Ook de wederzijdse beïnvloeding tussen het collectieve en individuele geheugen kan aan de hand van deze tekst inzichtelijk worden gemaakt. Maar in Ik wil je laten weten dat we er nog zijn is er niet alleen een wisselwerking tussen het individuele geheugen en het collectieve geheugen, ook de drie generaties van het individuele geheugen beïnvloeden elkaar.

Dankzij Jonathan en Frank is Esther anders gaan denken over het belang van feiten en de rol die fictie kan spelen bij het vormgeven van herinneringen en de zoektocht naar identiteit, en dankzij Esther heeft Ethel het aangedurfd foto’s van het verleden te bekijken. Eenzelfde soort wisselwerking die plaatsvindt tussen het individuele en collectieve geheugen, vindt dus ook plaats tussen de verschillende generaties van het individuele geheugen. De derde generatie beïnvloedt de manier van denken van de tweede generatie; de tweede generatie beïnvloedt de eerste. Het beïnvloedingsproces is dus niet alleen lineair, maar werkt ook in omgekeerde richting, waardoor er een circulaire beïnvloeding ontstaat.

Noten

[1] Susan Hogervorst, Onwrikbare herinnering. Herinneringsculturen van Ravensbrück in Europa, 1945-2010 (Hilversum 2010) 22. [2] Ibidem, 26. [3] Ibidem, 22. [4] Esther Safran Foer, Ik wil je laten weten dat we er nog zijn, vert. Robert Neugarten (Amsterdam 2020) 8. [5] Ibidem, 9. [6] Birgit Neumann, ‘The Literary Representation of Memory’ in: Astrid Erll en Ansgar Nünning ed., A Companion to Cultural Memory Studies: An International and Interdisciplinary Handbook (Berlijn 2010) 335. [7] Foer, Ik wil je laten weten, 164. [8] Ibidem, 154. [9] Neumann, ‘The Literary Representation,’ 339. [10] Foer, Ik wil je laten weten, 176-177. [11] Ibidem, 243-244. [12] Neumann, ‘The Literary Representation,’ 338. [13] Marianne Hirsch, ‘The Generation of Postmemory,’ Poetics Today 29.1 (2008) 106. [14] Ibidem, 111. [15] Ronit Lentin, ‘Postmemory, Unsayability and the Return of the Auschwitz Code’ in: Ronit Lentin ed., Re-presenting the Shoah for the 21st Century (Oxford en New York 2004) 11. [16] Marianne Hirsch, ‘Surviving Images: Holocaust Photographs and the Work of Postmemory,’ The Yale Journal of Criticism 14.1 (2001) 28. [17] Ibidem, 9. [18] Hirsch, ‘The Generation,’ 111. [19] Hirsch, ‘The Generation,’ 112. [20] Michael Persson, ‘Ik voel me sterker doordat ik de waarheid het hoofd heb geboden,’ de Volkskrant, 24 april 2020. [21] Foer, Ik wil je laten weten, 14. [22] Persson, ‘Ik voel me sterker’. [23] Foer, Ik wil je laten weten, 243. [24 ] Ibidem, 239. [25] Ibidem, 240.

Over de auteur

Sander Bakx volgt de master Kunst- en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Hij specialiseert zich binnen deze studie in de richting Letterkunde. Daarnaast is hij auteur en werkt hij als docent Nederlands in Eindhoven.

Sander Bakx, ‘Circulaire herinnering. De werking van “postmemory” in Ik wil je laten weten dat we er nog zijn (2020) van Esther Safran Foer’, Locus – Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen 24 (2021). https://edu.nl/9dqmv

© 2021 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl