Hans Calmeyer (1903-1972):
van jodenredder
tot ‘Schreibtischmörder’

Michiel Satink

Publicatiedatum: 7 november 2018

Hans Georg Calmeyer wordt door historici in Duitsland gezien als 'groter dan Oskar Schindler'. Deze Duitse ambtenaar die in de oorlogsjaren in Den Haag besliste over leven en dood in kwesties wie wel en wie geen jood waren, wordt in Nederland echter veel minder positief besproken. Na aanvankelijk een positief oordeel van historici De Jong en Presser wordt hij in latere jaren ook wel gezien als 'Schreibtischmörder'.

In april 2010 opende in het Historisch Centrum Overijssel de expositie 'Calmeyer in den Niederlanden, Jodenredder in Duitse dienst'. De tentoonstelling was voor veel bezoekers een eerste kennismaking met de man wiens rol door sommige Duitse historici groter wordt ingeschat dan die van Oskar Schindler. Daags voor de opening interviewde ik destijds de Duitse historicus Joachim Castan telefonisch namens het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP). Castan meende dat Calmeyer zijn baan in de oorlog als ambtenaar van de 'Entscheidungsstelle' in Den Haag zag als een kans om levens te redden. 'Er is weinig bekend of hij dit uit christelijke overwegingen deed, maar ik vermoed dat zijn drang zijn 'Menschenfreundlichkeit' was.' Na de oorlog had hij het er lang moeilijk mee. Er zaten donkere wolken in zijn hoofd, beschrijft Castan, en hij raakte aan de drank. Het verhaal over Calmeyer voegt volgens Castan een nieuw hoofdstuk toe aan het verhaal van de jodenvervolging in Nederland. 'Het is een bewogen geschiedenis die met dit verhaal een nieuwe toon krijgt: een goede Duitser die met goede Nederlanders samenwerkte.'

Dr. Hans Georg Calmeyer

Calmeyer kwam in de jaren 1960 in de bekendheid. Historici Loe de Jong en Jacques Presser oordeelden positief over hem. 'Er is unanimiteit ten aanzien van het feit dat honderden joden aan hem het leven danken, dat een Partei-man een ramp zou zijn geweest, dat hij persoonlijk risico's heeft gelopen', zo oordeelde Presser in zijn tweede deel van Ondergang: de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. Hun oordelen passen in het onderscheid tussen 'goed en fout' dat in die tijd veel gemaakt werd: tegenover de foute bezetter stond het goede verzet. Eind jaren 1980 begon de glans van Calmeyer in Nederland te verbleken.

Historici vroegen zich af of hij niet ook degene was die vele beroepschriften van joden onverschillig terzijde had geschoven. Waar de een Calmeyer de hemel in prees, werd hij door de ander een 'Schreibtischmörder' genoemd. Maar hoe komt het dat het oordeel over de daden van Hans Calmeyer na de oorlog zo veranderde?

Calmeyer in de oorlog

Calmeyer, geboren op 23 juni 1903 in 'Friedensstad' Osnabrück, betrok aldaar in 1931 een kantoor als advocaat. Opvallend is zijn hartstochtelijke verdediging van veertien 'linkse' mannen die beschuldigd werden van betrokkenheid bij rellen eind 1932 na een bijeenkomst van de NSDAP. Een onderzoek werd ingesteld en de al onder vuur liggende advocaat kreeg er een klacht van een ontevreden cliënt bovenop. In augustus 1933 werd zijn toelating als advocaat ingetrokken. Later dat jaar kreeg hij een beroepsverbod van een half jaar opgelegd. Het werken in de advocatuur werd nu lastig: zijn reputatie was beschadigd. Calmeyer besloot het leger in te gaan, hopende dat daar nieuwe deuren voor hem zouden openen. Op 25 augustus 1939 werd hij ingedeeld bij de achtste 'Flugmeldereservekompanie' dat inlichtingen over het luchtverkeer verzamelde. Eenmaal gelegerd in Dordrecht had hij weinig te doen en wist hij via een contact uit Osnabrück de stap naar civiele dienst te maken. Zo kwam hij in maart 1941 op de ‘Entscheidungsstelle’ terecht. Calmeyers eerste grote opdracht was de handhaving van verordening VO6/41, de aanmeldplicht voor joden. Hij beoordeelde de 'twijfelgevallen': mensen van wie niet duidelijk was of ze joods waren of niet. Aanvankelijk volstond het aanleveren van een document waarmee de persoon verklaarde dat hem niets bekend was dat op zijn joodse afstamming wees. Een ambtenaar of de burgemeester moest stellen dat hij deze verklaring geloofwaardig achtte. De betrokkene hoefde dus niet te bewijzen dat hij niet joods was en dat was zeer afwijkend ten opzichte van de situatie in Duitsland.


Calmeyer kreeg ook andere twijfelgevallen op zijn bureau: personen die zich vrijwillig hadden aangemeld maar dat terug wilden draaien. Hoewel de Duitse regelgeving geen mogelijkheid had tot het maken van bezwaar, wist Calmeyer Berlijn te overtuigen dit toch toe te staan. Gevolg was wel dat de bewijslast nu lag bij degene die naar eigen zeggen fout geregistreerd stond. Dat leidde tot lastige constructies maar het zorgde tevens voor de opkomst van 'een nationale kleinindustrie van vervalsingen', zoals historicus Presser het omschreef in Ondergang.

Dr. J. Presser, Ondergang

'Het Rode Kruis werkte mee door een blanco-kaart te geven voor het invullen van een gefantaseerde bloedtransfusie; op aandrang gaf dit Rode Kruis een verklaring af, dat die kaart zich in zijn archief bevond.'

Liefdesbrieven werden vervalst op papier dat vijftig of zestig jaar oud was, gevonden bij een papierhandelaar. Stempels werden nagemaakt en er bleek opvallend vaak sprake van overspelige ouders. Een niet-joodse verwekker kon immers als bewijs gebruikt worden voor het feit dat een kind geen voljood kon zijn.

Calmeyers lijsten

Was een verzoek eenmaal in behandeling, dan was men voorlopig veilig: vermelding op de zogeheten Calmeyer-lijst behoedde personen voor deportatie. Op de achtergrond was het verzet inmiddels begonnen met de ‘Aktie Portugesia’, de poging honderden Nederlandse sefardische joden van deportatie te behoeden. Hoofdrolspeler in deze 'Aktie' was Arie de Froe. Deze Amstelveense arts was een talentvol onderzoeker op gebied van de rassenleer. In zijn onderzoek benadrukte hij de stereotypen die al eeuwenlang over Portugese en Hoogduitse Joden bestonden. Calmeyer toonde zich welwillend tegenover de argumentatie van De Froe en advocaten ten faveure van deze groep maar hij wilde slechts een kleine groep van deportatie uitsluiten. Mogelijk wilde hij de lijst klein houden uit realiteitszin omdat Berlijn nooit de hele groep vrijstelling zou verlenen. Calmeyer moest immers al op aandrang van zijn meerderen zijn 'Zurückstellungsliste' kort houden. De aanvullingen gedaan door Calmeyer maakten het de ‘Sicherheitspolizei’ namelijk moeilijk arrestatielijsten op te stellen. Calmeyer verzon een list: hij fabriceerde een aparte lijst alleen voor de Portugese joden, dus naast de al bestaande lijst. Een nieuwe selectie maakte dat nog maar 400 joden op deze lijst konden. Honderden vielen dus meteen al af, maar de 'Portugese lijst' bood weinig veiligheid. In april 1943 bleken er al 123 Portugese joden op de lijst te zijn opgepakt. Calmeyer drukte Wilhelm Zöpf (belast met de deportatie van joden in Nederland) op het hart de lijst te respecteren maar het haalde niets uit. Zöpf ging plots samen met 'Sturmbahnführer' Aust in Westerbork zelf op inspectie. Zijn vernietigende oordeel: 'rassisches Untermenschentum'. De groep werd gedeporteerd naar Theresienstadt. Calmeyers inzet voor de Portugese joden leidde tot argwaan bij Zöpf. De speciale werkgroep 'port. Juden' viel het al op dat de ambtenaar meer optrad als belanghebber van deze groep dan als vertegenwoordiger van de commissaris-generaal van justitie en binnenlandse zaken, zo zou Zöpf in 1960 melden.

Dr. J. Presser, Ondergang

Calmeyer na de oorlog

Hans Calmeyer was tot de bevrijding van Nederland op zijn post gebleven. Op 6 mei 1945 werd hij in Den Haag aangehouden door de Canadezen. In zijn eerste verhoor op 17 juni zei hij te hebben getracht 'te redden wat er te redden viel'. Hij wist van de vervalsingen in genealogische geschriften, maar dat kon hem niets schelen. Hem werden verklaringen voorgehouden van de advocaten Nijgh en Van Taalingen-Dols die hem in de oorlogsjaren zaken hadden voorgelegd. Nijgh wilde dat de Duitser zo spoedig mogelijk weer vrij kwam. Van Taalingen-Dols was een andere mening toegedaan: zij diende het verzoek in om Calmeyer als oorlogsmisdadiger te berechten. Nijgh nam de verdediging van Calmeyer op zich. Volgens advocaten Kotting en Van Proosdij zou Calmeyer in 2.000 gevallen een gunstige beslissing hebben genomen. In slechts vijf procent van die gevallen was geen sprake van misleiding geweest. Bovendien wist Calmeyer van die vervalsingen, verklaarden ook zij. Calmeyer zelf schreef uiteindelijk dat zonder zijn bemoeienis circa 18.000 mensen meer als joden gedeporteerd zouden zijn dan gebeurd is. Het is mogelijk dat hij zijn verhaal heeft aangedikt in een poging eerder vrij te komen. Calmeyer vergeleek zijn rol met die van een dokter die voor 5.000 doodzieken slechts vijftig ampullen van een medicijn beschikt. Bovendien had het accepteren van een te groot aantal verzoekschriften voor argwaan gezorgd. Vervalsingen die te opvallend waren, nam hij niet aan. Calmeyer werd niet vervolgd. Op 12 september kwam hij vrij en drie dagen later was hij terug in Osnabrück. Hij had zestien maanden vastgezeten.


In 1958 kwam Calmeyers werk uit de oorlog weer in de openbaarheid toen hij als getuige werd gehoord in een onderzoek naar mogelijke misdaden gepleegd door Wilhelm Zöpf. Calmeyer werd in dat onderzoek als 'pro-joods' gezien. Ook in Nederland leefde de belangstelling voor de oorlog op. Historici De Jong en Presser besteedden in hun boeken positieve aandacht aan zijn rol. Volgens Presser ligt de kern van de verdediging van Calmeyer in diens hopeloze positie. Hij kon ze immers onmogelijk allemaal redden, aldus de historicus. De Jong kwam in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Deel 6) op 500 slachtoffers tegenover 3.000 door Calmeyer geredde personen. Dat zouden er volgens hem meer zijn geweest als Calmeyer niet bij elke beslissing die hij genomen had, rekening had moeten houden met de fanatieke ijver van zijn controleurs.


Het positieve beeld uit de jaren 1960 over de daden van Calmeyer werd in de decennia daarna vooral in Duitsland alleen maar versterkt. Vanaf 1988 kwam er in Osnabrück een beweging op gang om de in september 1972 overleden Calmeyer te eren. Hij werd ereburger, een school kreeg zijn naam. Op 27 oktober 1992 werd postuum de Yad Vashem uitgereikt aan de zoon van Calmeyer, nog een jaar voor Oskar Schindler die eer te beurt viel. Drie jaar later verleende Osnabrück Calmeyer de Möser-medaille, de hoogste onderscheiding van de stad. Het aantal door hem geredde joden wordt door diverse Duitse historici als groter ingeschat dan de mogelijk 1.200 die de overbekende Schindler op zijn lijst wist te krijgen. Historicus Peter Niebaum noemde 15.000 tot 18.000 door Hans Calmeyer geredde personen, Mathias Middelberg (die promoveerde op Calmeyer) schatte het op 3.500.

Loe de Jong en zijn magnus opus

'Schreibtischmörder'

Vanaf 1989 klonk in Osnabrück plots ook een tegengeluid, vertolkt door de Nederlandse en dan al gepensioneerd medewerker van het NIOD Coen Stuldreher. Op lezingen in 1989 en in 1998 gaf hij aan dat Calmeyer een legalistisch ambtenaar was die in feite gewoon had meegewerkt aan de vervolging van joden in Nederland. In het gunstigste geval was Calmeyer kil en onverschillig, in het ongunstigste geval een 'Schreibtischmörder'. Stuldreher kwam op hooguit 200 personen die door een stempel van Calmeyer van deportatie gered zouden zijn. In zijn proefschrift uit 2007 kwam hij nog lager uit: het waren er hooguit vijftig. Een cijfer dat niet onderbouwd is, concludeerde historica Geraldien von Frijtag in haar boek Het geval Calmeyer in 2008. Ze vraagt zich bovendien af of de bronnenbasis van Stuldreher breed genoeg was. Kern van het verwijt van Stuldreher is dat Calmeyer sterk vasthield aan het 'Duitse voorbeeld': zo hard als de joden daar werden aangepakt, zo moest dat ook in Nederland gebeuren. Von Frijtag geeft aan dat dit juist in het geval van de afstammingszaken waarover Calmeyer oordeelde niet het geval was. Calmeyer liet veel meer bewijsmiddelen toe dan het 'Reichssippenamt' in Duitsland. Het was in Nederland dus veel makkelijker om je al dan niet vermeende joodse afkomst te bestrijden dan bij de oosterburen. Volgens meerdere bronnen zou Calmeyer 3.500 personen een veilige status hebben gegeven. Jo Michmann, die namens Yad Vashem Calmeyer bestudeerde in de jaren 1990, kwam op een kleine 3.000. Stuldrehers oordeel leidde in Duitsland niet tot een ander beeld van Calmeyer. In Nederland bleef de twijfel, gevoed door zijn vermeende wispelturigheid en het mislukken van de Aktie Portugesia.

Waarom voorzag Calmeyer zijn afwijzingen nooit van een motivering? Advocaten hechten aan jurisprudentie zodat ze weten waar ze aan toe zijn. Calmeyer had altijd het laatste woord en dat woord kenmerkte zich door onvoorspelbaarheid. Men wist domweg niet wat men van hem op aan kon. Daarnaast is het mislukken van de Aktie Portugesia langzaamaan in de schoenen geschoven van Calmeyer, zo lijkt het. Jurist en letterkundige Hans Ulrich Jessurun d'Oliveira schrijft in Ontjoodst door de wetenschap dat Arie de Froe een deel van die schuld op de Duitser heeft afgeschoven. Zo zou De Froe gesteld hebben dat een deel van de groep, zo'n 600 personen, deportatie had kunnen voorkomen door onder te duiken. Ondanks waarschuwingen van de zijde van De Froe deden ze dat niet. Hun vertrouwen in Calmeyer was te groot.

Oordelen in een veranderende historiografie

In de eerste decennia na de oorlog was de geschiedschrijving over de bezetting in Nederland 'in de ban van goed en fout', zo omschrijft historicus Hans Blom in zijn inaugurele oratie aan de Universiteit van Amsterdam in 1983. Het beeld van de oorlog was toen overzichtelijk: fout was het nationaalsocialisme en de bezetter, goed was het verzet. De oordelen van De Jong en Presser passen in die strijd tussen goed en fout. Gek genoeg lijkt inhoudelijk het oordeel van De Jong en ook Presser in die tijd over Calmeyer juist uit de toon te vallen: Calmeyer was onderdeel van het bezettingsapparaat en was dan dus – volgens deze tweedeling tussen goed en fout – zeker geen held. Het was Coen Stuhldreher die het beeld van Calmeyer in de Nederlandse historiografie drastisch bijstelde. Zijn harde oordeel past nog altijd in het zwart-witbeeld. Presser en De Jong gingen er over het algemeen van uit dat het Duitse vervolgingsapparaat doelgericht en effectief was. Van hoog tot laag zou eensgezind werken. Stuhldreher hanteert in zijn proefschrift dezelfde benadering. Meer recent onderzoek wijst nadrukkelijk op het gefragmenteerde karakter van het Duitse bestuur in Nederland, stelt hoogleraar Ido de Haan in zijn overzicht 'Breuklijnen in de geschiedschrijving van de jodenvervolging'. In die discussie over de doelgerichtheid van de Duitsers wordt het vizier ook gericht op Hans Calmeyer. Verschillende studies tonen dat Calmeyer bewust zocht naar gronden om joden te behoeden voor deportatie. De morele verontwaardiging van De Jong en Presser heeft inmiddels plaats gemaakt voor een zakelijker aanpak. De nieuwe generatie historici heeft geen directe herinnering aan de oorlog en richt zich meer op deelonderwerpen. Hun stijl is onpersoonlijk, het onderzoek empirisch. Von Frijtags oordeel en aanpak passen in die 'nieuwe en zakelijke aanpak'. Haar boek is bedoeld om afstand te nemen van de discussie rond Calmeyer. Ze wees er echter in haar conclusie op dat tegenover de redding van enkelen zijn medewerking aan de uitsluiting en verdrijving van joden stond.


Tegenover dit negatieve beeld staat het 'verweerschrift' van juriste Ruth van Galen-Herrmann. Zij neemt nadrukkelijk geen neutraal standpunt in. Ze was bovendien persoonlijk betrokken bij dit onderwerp want haar naam heeft op een van de Calmeyer-lijsten gestaan. Haar boek is een directe reactie op de omvangrijke studie van Van Galen. De verzoeken van de advocaten om jurisprudentie waren in feite een verzoek bekend te maken met welke middelen het hoofd van de ‘Entscheidungsstelle’ zich wilde laten bedriegen.

Hans Ulrich Jessurun d'Oliveira, Ontjoodst door de wetenschap

Maar Calmeyer moest juist het aantal gunstige beslissingen beperken om niet al te veel op te vallen. 'Ondoorzichtig handelen was echter de enige manier waarop Calmeyer er in kon slagen zeer veel gunstige beslissingen te geven zonder zijn bedoelingen te verraden', stelt zij. Ook in Ontjoodst door de wetenschap wordt een positief beeld geschetst. André Köbben, emeritus hoogleraar antropologie, vindt het een dwaze aantijging dat Calmeyer als jurist de anti-joodse wetten tot op de letter zou hebben toegepast. Had hij deze wetten aan zijn laars gelapt, dan hadden zijn superieuren korte metten met hem gemaakt. In Nederlandse media lijkt het positieve beeld van Calmeyer overeind te zijn gebleven. Advocaat Benno Stokvis schreef in Het Parool in 1961 al dat de menselijke plicht Calmeyer gebood om in te grijpen, maar dat zijn mogelijkheden hiertoe beperkt waren. Volkskrant-journaliste Anet Bleich meende dat de cijfers het voordeel van Calmeyer bepleiten. Ze vroeg zich bovendien af hoe het toch kan dat Calmeyer in Nederland zo omstreden is

Held en bureaucraat

Veranderingen in de historiografie van de bezettingstijd worden weerspiegeld in de beschrijving van de daden van Hans Georg Calmeyer. Kort na de oorlog werd hij vastgezet als onderdeel van het bezettingsapparaat. Vanaf de jaren 1960 ontstond er een hernieuwde belangstelling voor de oorlogsjaren. In het heldere onderscheid tussen goed en fout dat destijds gemaakt werd, kwam Calmeyer aan de goede kant van de geschiedenis te staan. Vandaag wordt minder strikt onderscheiden tussen goed en fout. Een moralistische aanpak is vervangen door een veel zakelijker blik op het verleden en Calmeyer staat niet langer vanzelfsprekend aan de goede kant van de geschiedenis. Ja, hij keurde bezwaren goed waardoor joden voorlopig vrijgesteld werden van vervolging maar door zijn stempel te onthouden kwamen ook honderden joden wel in kampen terecht. Hoewel vele historici het eens zijn over de getallen – die ten voordele spreken van Calmeyer – is het oordeel over zijn rol in de oorlog in Nederland niet langer zwart-wit. Dat maakt dat hij in plaats van held net zo goed als bureaucraat wordt gezien. Zijn beslissing joden wel te laten vervolgen, wordt nu nadrukkelijker bekeken. Ook het mislukken van de reddingsactie Portugesia werpt een schaduw over zijn werk.

Een vergelijking met ontwikkelingen in Duitsland gaat voor nu te ver maar het zou zeker interessant zijn te onderzoeken of daar ook zo'n omslag in het denken over de daden van Calmeyer plaats heeft gehad. Een eerste blik lijkt te wijzen op het tegendeel: in Osnabrück wordt hard gewerkt aan het inrichten van een museum over hun beroemde oud-inwoner. In dit licht past ook de poging van historicus Castan om in 2010 het beeld van Calmeyer in Nederland middels een expositie te herstellen.

Literatuurverwijzingen

  • J.C.H. Blom, In de ban van goed en fout. Geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland (Amsterdam 1983).
  • Cohen, Jaap, ‘Arie de Froe – Wetenschapper in dienst van de goede zaak’ in: Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira ed., Ontjoodst door de wetenschap. De wetenschappelijke en menselijke integriteit van Arie de Froe onder de bezetting (Amsterdam 2015) 15-30.
  • Frijtag Drabbe en Geraldien von Künzel, Het geval Calmeyer (Amsterdam 2008).
  • Galen-Herrmann, Ruth van, Calmeyer, dader of mensenredder? Visies op Calmeyers rol in de jodenvervolging (Soesterberg 2009)
  • Haan, I. de, ‘Breuklijnen in de geschiedschrijving van de Jodenvervolging. Een overzicht van het recente Nederlandse debat’ in: BMGN - Low Countries Historical Review, 123/1 (2018) 31–70. DOI: http://doi.org/10.18352/bmgn-lchr.6733
  • Jessurun d'Oliveira, Hans Ulrich, 'Arie de Froe's subversieve wetenschapsbedrijf: herinneringen en reflecties' in: ibidem, Ontjoodst door de wetenschap. De wetenschappelijke en menselijke integriteit van Arie de Froe onder de bezetting (Amsterdam 2015) 31-62, aldaar 47.
  • Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 6, juli '42 – mei '43, eerste helft (Den Haag 1975) 310.
  • Köbben, André J.F., ‘Een opeenstapeling van toevalligheden’ in: Hans Ulrich Jessurun d'Oliveira ed., Ontjoodst door de wetenschap. De wetenschappelijke en menselijke integriteit van Arie de Froe onder de bezetting (Amsterdam 2015) 63-72, aldaar 64, 66 en 69.
  • Presser, J., Ondergang: de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945, tweede deel (Den Haag 1965/2013) 52, 53, 56, en 63.
  • Stokvis, Benno, ‘“Ariseren'” in de bezettingstijd. Bedrog op grote schaal om mensenlevens te redden', Het Parool, 5 mei 1961, 7.
  • Friso Wielenga, ‘De actualiteit van het verleden in de jaren zestig’ in: Friso Wielenga, Van vijand tot bondgenoot. Nederland en Duitsland na 1945 (Amsterdam 1999) 305-329.


Niet-schriftelijke bronnen

  • Telefonisch interview met Joachim Castan, historicus, gehouden op 7 april 2010, uit aantekeningen van de auteur.


Internet

Over de auteur

Michiel Satink is bachelorstudent cultuurgeschiedenis aan de faculteit Cultuur- en rechtswetenschappen van de Open Universiteit. Hij werkt als freelance journalist en schrijft voornamelijk verslagen van rechtszaken voor landelijke en regionale media in het oosten in het land. 

© 2018 Open Universiteit | Lees de disclaimer en de privacyverklaring van de OU | Voor het colofon zie Over LOCUS |

Voor contact met de redactie kunt u mailen naar locus@ou.nl